Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden verschaft, die aan onderscheidene leden dezer Vergadering, onderstel ik- gelijk mij. ontbreekt.

Maar wat ik ter sprake heb gebracht is art. 4 van het besluit van 1850. en die bepaling (ik heb ze nog eens gelezen) is vatbaar voor een gansch anderen uitleg, dan naai- welken het Gouvernement zich heeft gedragen.

Bij deze gelegenheid kan ik eene opmerking niet voorbijgaan, door den geachten afgevaardigde uit Alkmaar tegen het geachte lid. dat die interpellatie deed. gericht: „Gij hebt zelf gezeten in de Commissie, benoemd om den Koning of den Minister bij de voorbereiding van dat besluit van advies te dienen". Bij alle gelegenheden. Mijnheer de Voorzitter, daar waar ik rechtstreeks invloed had op de zaak en daar waar ik dien niet had. heb ik mij tegen het nemen van leden dezer Kamer in dergelijke commissiën verklaard. Ik dacht, dat zulk een lid der Kamer, wanneer het resultaat van de werkzaamheden der commissie later direkt of indirekt aan deze Vergadering wierd onderworpen, de vrijheid zou missen die elk afgevaardigde des volks steeds moet behouden. Maar nu zie ik dat aan de zaak nog een ander euvel verbonden is: nu wordt het aan iemand, die als lid der Kamer het ongeluk gehad heeft lid te zijn van zulk eene commissie, kwalijk geduid zoo hij niet gezorgd heeft dat het besluit in zijn geest tot stand kwam ; hij wordt verantwoordelijk gesteld voor iets waarvoor hij niet verantwoordelijk kan zijn; hij ziet zich de vrijheid van kritiek betwisten : eene nieuwe reden. Mijnheer de Voorzitter, om zich twee maal te bedenken, of leden der Vertegenwoordiging in zulke commissiën plaats behooren te nemen.

Wanneer ik, hetgeen de Minister op de interpellatie heeft geantwoord. samenvat, dan mag ik mij geenszins voldaan verklaren.

I>e Minister heeft vier punten in zijne rede aangeroerd, en gemeend. zijne rechtvaardiging daarmede te hebben voldongen.

In de eerste plaats: Men moest bewezen hebben, dat de Regeering het contract niet nauwgezet was nagekomen: dat heeft men niet bewezen; derhalve ? Maar er bestaat immers juist verschil en bezwaar over de uitvoering van het contract; aan de Regeering wordt juist tegengeworpen, dat zij art. 4 van het Koninklijk besluit en art. 14 van het contract niet in den waren geest heeft uitgelegd. Wat zegt nu de Minister? „De Regeering heeft zich aan haar eigen uitleg van liet besluit gehouden ; derhalve kan men haar niet verwijten, dat zij het niet is nagekomen." Doch of haar uitleg de ware, of die niet belemmerend is voor de partikuliere nijverheid, daarop komt het aan; en te dezen aanzien heeft de Minister, dunkt mij, de redenen van twijfel en beklag op geenerlei wijze opgelost.

In de tweede plaats: „Zoo de verwachting der ondernemers

Sluiten