Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allereerst te stellen op den grondslag van erkenning en waardeering der actueele waarheid van feiten en toestanden . Het ministerie, zei hij, was daardoor tevens gedrongen niet exclusief te zijn. ..dewijl juist exclusivisme strijdig zou wezen met het denkbeeld van verzoening". Krachtens haar beginsel zoude deze regeering zich ook niet kunnen aansluiten bij eene der staatkundige richtingen; zij voelde zich geroepen, zich te stellen boven de partijen, ten einde te trachten, door hare leiding het goede en ware, dat bij allen te vinden was te doen samenwerken tot bevordering van het heil des vaderlands. Derhalve kon de nieuwe regeering evenmin volgen eene reactionaire politiek: immers, reactie zou haar onvermijdelijk in botsing brengen met het beginsel van verzoening, waarop zij steunde.

De troonrede had deze politiek aangeduid met de volgende woorden: „De zorg voor de onschendbaarheid van al wat tot het gebied des gewetens behoort, heeft Mij bewogen alsnog naar middelen 0111 te zien. ten einde de bezwaren van zeer velen tegen de ontworpene regeling van het volksonderwijs zoo veel mogelijk op te heffen.' \Y elke die middelen waren, daarover had evenwel de troonrede, en ook de minister van justitie, het stilzwijgen bewaard. Alleen was in de troonrede verklaard, dat wetsontwerpen „tot regeling van de drie takken van openbaar onderwijs gezamenlijk zouden worden voorgelegd .

Daartegenover stelde de zesde paragraaf van het ontwerp-adres van antwoord de volgende zinsneden:

„Door Uwe Majesteit wordt ons het uitzicht geopend op de voordracht van verschillende wets-ontwerpen van het uiterste gewicht, tot welker nauwgezet onderzoek wij ons gaarne bereid verklaren. Daaronder is er een, dat op het lager onderwas, waarvan de indiening, naar onze overtuiging, thans geen verder uitstel gedoogt. Het gevoelen der Kamer over de hoofdbeginselen eener wettelijke ïegeling van dit gewichtig onderwerp is Uwer Majesteit's regeering bekend. Het is gebleken bij de overweging van het vroegere wetsvoorstel, hetwelk door de sluiting der vorige zitting, met vele andeie. onafgedaan is gebleven. Wij zijn met Uwe Majesteit overtuigd, dat al wat tot het gebied des gewetens behoort, ongeschonden moet blijven, en meenen dat dit doel kan worden bereikt door stipte inachtneming van de voorschriften der Grondwet, die, door gelijkstelling der gezindheden en door de uitdrukkelijke bepaling dat bij de inrichting van het openbaar onderwijs ieders godsdienstige begrippen moeten worden geëerbiedigd, elk denkbeeld van gewetensdwang te eenen male afsnijdt."

De heer Groen van Prinsterer verlangde, die paragraat te verzachten, en stelde voor, haar te lezen:

„Ook bij het uitzicht op de voordracht van velerlei belangrijke wetten mogen wij niet ontveinzen, dat de regeling van het lager onderwijs thans, in de hoofdtrekken, geen langdurig uitstel gedoogt. Wij waardeeren Uwer Majesteits bezorgdheid voor het recht en de gewetensvrijheid van allen en zijn gaarne bereid elk middel te onderzoeken, waartoe Uwer Majesteits Regeering oordeelt, dat getrouwe naleving der Grondwet met de behoefte van eene grootendeels Christelijke bevolking in overeenstemming kan worden gebracht."

Mijnheer de Voorzitter, de Minister van Justitie heeft reden gegeven. waarom dit Ministerie het vorige heeft vervangen. Ik heb daarover enkele opmerkingen aan hem en aan de \ ergadering te

Sluiten