Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de paragraaf voorkwam in liet algemeen de uitdrukking te zijn van de oude spreuk: lites finiri oportet. Dat heeft de geachte spreker in zijne rede van gisteren opgenomen. Er moet, zeide hij, ten laatste wel een eind komen: intusschen wenscht hij het proces nog zoo lang voort te zetten, totdat hij kans ziet het te winnen. Te winnen! Met welke middelen ?

Er was, Mijnheer de Voorzitter, tusschen den geachten spreker en mij meer dan eens sprake van revolutie, inzonderheid van die revolutie, welke den afloop der voorgaande eeuw en ook deze eeuw kenmerkt. Het is mij nu opnieuw voorgekomen, dat ik mij even goed. schoon met betrekking tot een ander punt, dan de geachte spreker, den naam van anti-revolutionair mocht toekennen. Ik was ingenomen en ik ben het met de groote, weldadige, door den geachten spreker steeds bestredene uitkomsten van die revolutie, in zooverre ze voor Staat en Maatschappij het beginsel is geworden van een nieuw leven, dat wij geroepen zijn te regelen. Maar ik heb steeds een afkeer gehad van de kunst, van de methode, van de middelen der revolutiemannen, waarvan zoo menig onheil der revolutie mij toescheen te zijn ontsprongen. En nu vraag ik. Mijnheer de Voorzitter, wanneer de geachte spreker in de inleiding van zijn amendement, aan ons, aan den Koning en aan het volk zegt: weest gerust: gij hebt een tweeslachtig Koningschap, een Koningschap, dat op een dubbelen grondslag is gebouwd, op een historisch-republikeinschen grondslag en op de Grondwet, een Koningschap dat beurtelings dan op den eenen. dan op den anderen grondslag kan handelen, een Koningschap dus dat waar de rechten uit ééne bron ontleend niet toereikend mochten schijnen, die uit de andere bron kan aanvullen: wanneer hij tegelijk het volk oproept om den Koning desnoods bij te staan, en niet alleen het kiezers-volk. het pai/s légal, maar de massa, het volk dat achter het kiezers-volk staat, de menigte, waaronder het zoo gemakkelijk valt de vlam van theologischen hartstocht en geloofsijver te ontsteken; ik vraag, Mijnheer de Voorzitter, of dat niet gelijkt naar die kunst, naar die methode, naar die middelen, die mij steeds afkeer hebben ingeboezemd? Hetgeen met zoodanige middelen ons aanbevolen wordt den Koning te zeggen kan ik niet aannemen; ik wil dat andere drijfveeren onze gedachte en onze woorden besturen.

De behoefte van eene Christelijke natie. Brengt ook dit in verband met de inleiding, waarin de geachte spreker de gemengde school, sedert 1806 nationaal, verklaart voor een onchristelijk monster. Ik weet wel, in zijne stemming ziet men het licht, dat voor allen schijnt, slechts op één punt, maar juist daarom wensch ik, dat de vrijheid, ook van geloof, anders dan door den geachten spreker worde geëerbiedigd. De weg des heils is in zijne oogen zóó eng, dat die niet door iemand, anders denkende dan hij, kan worden

Sluiten