Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijktijdig waren eene menigte verzoekschriften ingediend van kamers van koophandel en belanghebbenden. Over die verzoekschriften werd verslag gedaan aan deze Vergadering door de Commissie voor de Petitiën, en de Kamer besloot die stukken met het verslag te verzenden aan de Ministers, met verzoek om inlichtingen. Die inlichtingen kwamen niet. Daarom nam ik de vrijheid aan de Kamer verlof te vragen tot het doen van eene interpellatie. Zij geschiedde op den 13den Maart 1856. Haar doel was, van de Ministers te vernemen, of men sedert het vorig jaar was gevorderd. en of zij ons. eenig bepaald uitzicht konden geven op de waarborgen, die wij van hunne tusschenkomst en bescherming verwachtten.

Bij die gelegenheid heeft de toenmalige Minister van Buitenlandsche Zaken feiten aangehaald, die op het einde van 1850 en in het begin van 1851 zouden hebben plaats gehad, feiten die mij deden verlangen, dat alle stukken, daartoe betrekkelijk, aan de Kamer wierden overgelegd. Het zijn die stukken, welke de naaste aanleiding tot het verslag zijn geweest, waarvan de conclusie nu aan de orde is.

De aanhalingen van den Minister betroffen eene onderhandeling met het Belgische gouvernement in de laatste dagen van 1850 en in de eerste maanden van 1851. Waartoe moest die aanhaling dienen ? In welk verband stond zij met de zaak die wij behandelen ?

Mijnheer de Voorzitter, ik denk te spreken met terughouding. Het is niet aangenaam te strijden tegen een afgetreden gouvernement of minister. Evenwel, die Minister heeft op meer dan ééne wijze eene beschuldiging gericht tegen een vorig gouvernement. Hij heeft mij inzonderheid gedwongen mij te verdedigen, doch is, toen de dag dier verdediging gekomen was, niet op het terrein verschenen. Mijne wederlegging zal nu niet verder gaan dan de nauwste perken van het moderatnen inculpatae tutdae gédoogen. Ik wensch ook den toestand van het Gouvernement, daar waar het onderhandelingen met een vreemd gouvernement betreft, niet moeilijk te maken. Ik zal mij dus onthouden van alle aanhaling van feiten of stukken van het vorig Gouvernement, welke de tegenwoordige Regeering eenigszins zouden kunnen belemmeren. Ik ben ook niet genegen de bezwaren van petitionarissen te overdrijven. Hoewel niet een man van alle gouvernementen, meen ik een gouvernementaal man te zijn, en geloof ik, dat de vertegenwoordiger, hier ter plaatse, zich niet op ééne lijn met een petitionaris heeft te stellen. Hij heeft van zijnen kant, met onpartijdigheid, met kalmte, hetgeen door den betrokkene of belanghebbende soms hartstochtelijk, soms met overdrijving wordt voorgesteld, te onderzoeken, en hetgeen hij van de Kamer of van de Regeering verlangt, op gronden te vestigen, waarop hij zelf zou meenen te kunnen handelen.

Sluiten