Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet op voorbereid dat toen over dat onderwerp zou gesproken worden." De Minister wilde zich niet herinneren, dat hij voorbereid kon geweest zijn. dat hij gewaarschuwd was. zoowel door het Voorloopig Verslag als door een aantal verzoekschriften.

Volgens hem was de aanleiding tot de gerezene klachten dooide Belgische wet van 1855 over de irrigatiën niet bevorderd. De petitionarissen hadden op die wet gewezen, waarvan de behandeling, daar zij de inzichten der Belgische regeering ontdekte, grooten indruk in Limburg had gemaakt. Volgens den Minister moest men daaraan niet hechten : „die wet — zeide hij — is meer in den geest van ons belang dan daar tegen." Denkelijk kende hij de geschiedenis dier wet niet. Het ontwerp werd in de centrale sectie van de Kamer der Representanten geheel omgewerkt op eene wijze, dat alle bevloeiende eigenaars er over voldaan waren. De graat de Theux, president van de commissie dier eigenaren, was tevens lid der centrale sectie. Het water ontbrak; ziedaar eene hoofdreden van de wet. Het water ontbrak reeds voor de 2000 bunders in exploitatie; hoe veel meer voor 25,000 bunders, die men zich voorstelde te exploiteeren. Het Gouvernement verbond zich, in de discussie, maatregelen te nemen om het volume d'eau van het kanaal van de Canipine te vermeerderen. Daartoe zou het noodig zijn de sluis van Bocholt en een gedeelte van het kanaal te verwijden, een ander gedeelte van het kanaal dieper te maken en de barrer la Meitse.

Dat alles zag men in de wet, zoodat zij natuurlijk de bezorgdheid onzer, bij vaart en handel betrokkene, medeburgers in hooge mate versterkte.

Maar den vorigen Minister van Buitenlandsche Zaken was het te doen om alles tot 1850 te herleiden. „Er was toen reeds eene klacht aangebracht. De spreker uit Maastricht was toen Minister : had hij daarin naar behooren voorzien, de zaak ware nu in orde.

Daartegenover stel ik, en ieder lid dezer \ ergadering met mij. hetgeen gebleken is uit de meegedeelde stukken. Er was in 185" niet „eene klacht" gelijksoortig aan die, waarover wij sedert *1855 handelen: geen klacht van belanghebbenden: het stuk. verkeerdelijk zoo genoemd, is een officieel rapport van een ingenieur. De hoofdingenieur te Maastricht schrijft aan den Commissaris des Konings, dat de Belgische regeering op een uur afstand van Maastricht een werk denkt te ondernemen, dat wellicht ten gevolge zou kunnen hebben wat? Bezwaren als die sedert 1855 van alle kanten zijn ingediend? Neen. Hetgeen de hoofdingenieur vreest, is. dat door het aangekondigde werk de strooming in de nauwe passagen der vesting zou kunnen vermeerderen, en alzoo de opvaart de schepen aldaar meer nog, dan reeds het geval was, worden gehinderd.

Ik heb mij den tijd, dien ons, ik zal nu niet zeggen „de geheel onverwachte sluiting der vorige zitting", maar de ongehoopte viij-

Sluiten