Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekking meermalen heb geopperd. Telkens wanneer het geldt eenige aanraking met den vreemde, komt bij ons de minister van Buitenlandsche /aken tusschenbeide. Dat is in andere landen niet net geval. Wanneer het zaken van binnenlandsch bestuur betreft, met die van een anderen Staat in verband, schrijft elders de minister van binnenlandsche zaken of van publieke werken rechtstreeks aan zijn vreemden ambtgenoot, zonder andere tussehenkomst. Hier is het anders: tot dusverre — althans het was toen nog het grw 7 'f Departement van Buitenlandsche Zaken de "verplichte trechter. Het Departement van Binnenlandsche Zaken zendt eene nota naar Buitenlandsche Zaken, met verzoek om van den uitslag te worden onderricht. Daardoor raakt de zaak als het ware van de rol bij Binnenlandsche Zaken; men blijft het bericht van Buitenlandsche Zaken wachten. De aangelegenheid is in eene andere steer overgebracht, waar zij wellicht minder wordt gewaardeerd, en aan allerlei toeval blootstaat. Ik zou daarom bij het Departement van Buitenlandsche Zaken in 1851 nog geen verzuim durven onderstellen Ut de medegedeelde stukken blijkt, hoe zeer de Belgische nota. denkelijk door de schuld van een ondergeschikten ambtenaar, de vraag had verward. Ons antwoord had die verwarring aangetoond en te recht gebracht. Men kan bij Buitenlandsche Zaken hebben aangenomen, en alleszins te recht, dat het zwijgen van de Belgische zijde erkenning was.

J" Z^\ o^nheer l'e ^ 001'zitter, het vorig Gouvernement ' ft dat van 184.) tot 1853 met de daad gerechtvaardigd. In den herfst van 1852 en de eerste maanden van 1853 waren twee \ertoogen bij het Ministerie ingekomen van de kamer van koophandel te Maastricht over de drie hoofdgrieven, die ik in het begin mijner rede heb aangestipt. Die vertoogen zijn door den oenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken ten onderzoek in handen gesteld van de betrokken ambtenaren. Hun rapport was, toen die Minister in April 1853 aftrad, nog niet ontvangen. Het kwam in bi, den nieuwen Minister, die daarop onder dagteekening van den 8sten Juni van dat jaar heeft geantwoord. Het antwoord is gericht aan den Commissaris des Konings in Limburg, met verzoek oni mededeeling aan de kamer van koophandel te Maastricht. Ik zal daaruit, met inachtneming van den regel, dien ik mij. zooals ik zeide, bij deze geheele discussie heb gesteld, enkel voorlezen etgeen met opzicht tot mijn tegenwoordig doel onmisbaar is:

inv schrijven van den 22sten April 11. n°. 1798 26, 1ste a deeling, had ik de eer uw bericht en advies te erlangen ten aanzien van de bezwaren, die, volgens het adres der kamer van koophandel en fabrieken te Maastricht, door de scheepvaart op de Maas en op de Zuid-Willemsvaart worden ondervonden ten gevolge van het aftappen van water uit die rivier te Luik door

Sluiten