Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belzinnige verklaring omtrent de staatkundige gedragslijn" der regeering gevraagd, doch de memorie van antwoord had de verlangde opheldering niet gebracht. Evenmin was in de korte redevoering, door den leider van het kabinet, den minister van justitie van der Brugghen, op den eersten morgen der algemeene beraadslagingen gehouden, het antwoord op de vraag vervat. Integendeel had die rede de onzekerheid over hetgeen men van dit ministerie te wachten had, eer nog vergroot, dan weggenomen. Daardoor, immers, was nu ook zelfs de oorzaak van de verandering van ministerie aan allerlei gissingen overgegeven. Had nog onlangs, bij de discussiën over het adres van antwoord op de troonrede, de minister van justitie de wet op het onderwijs als eenige reden voor het optreden van het ministerie aangewezen, thans heette het in eens daartegen in. dat in de moeilijkheid over de onderwijswet volstrekt niet de eenige oorzaak der verandering mocht worden gezocht.

De algemeene beraadslagingen over de begrooting hadden zich, vooral in de eerste dagen, door eene ongewone aarzeling tot spreken gekenmerkt. Aanvankelijk vroegen slechts zeer enkele leden het woord. De meest op den voorgrond tredende vertegenwoordigers der verschillende partijen waren blijkbaar, de een voor den ander, huiverig, de discussiën te beginnen. Eerst nadat zoowel de minister van binnenlandsche zaken, als de minister van justitie hunne bevreemding erover hadden te kennen gegeven, dat aan de regeering zóó weinig stof tot antwoorden werd gegeven, scheen het ijs te worden gebroken. De heer Groen van Prinsterer trok de stoute schoenen aan: daarna was ook de heer van Foreest gevolgd.

Hoewel deze beitien dezelfde richting vertegenwoordigden, waren hunne beschouwingen merkwaardig uiteengeloopen. De eerste, de heer Groen, toonde zich buitengemeen teleurgesteld. Aanvankelijk geneigd het nieuwe ministerie met warmte tegemoet te treden, omdat hij in den persoon van den kabinetsformeerder, zijn ouden vriend en medestander in den strijd tegen de gemengde school, van der Brugghen, een waarborg meende te vinden, dat aan het hoofddenkbeeld van het petitionnement tegen het ontwerp-onderwijswet van het vorig kabinet zou worden tegemoetgekomen, — was hem de ontgoocheling reeds spoedig gekomen, toen in de sluitingsrede der vorige zitting werd verklaard, dat naar een middel zou worden gezocht, om „zonder af te wijken van het beginsel der gemengde school, waaraan sedert 1806 de natie gehecht is," tot eene oplossing van het moeilijke vraagstuk te komen. „Wat moet ik op dit oogenblik in deze gewichtige beraadslagingen doen?" had hij ten slotte gevraagd. Wat moet ik doen, nu reeds thans duidelijk wordt „dat onze verwachting zal uitloopen op droeve teleurstelling?

Daartegenover hield de heer van Foreest staande, dat ook thans nog de optreding van dit gouvernement eene „verblijdende gebeurtenis" was. Verblijdend vond hij haar. omdat hij in dit kabinet zag een antirevolutionnair kabinet. En dan was tevens het kabinet overeenkomstig de meerderheid der kamer, die „uit antirevolutionnaire bestanddeelen (was) samengesteld", indien men slechts het woord antirevolutionnair wilde opvatten naar zijne juiste beteekenis. De antirevolutionnaire richting toch was, volgens den heer van Foreest, geen kerkgenootschappelijke, maar eene staatkundige richting, immers, zij was niet anders dan een protest tegen de politieke begrippen der fransche revolutie. Dit wilde daarom nog niet zeggen, dat de partij tot vóór 1789 terug wilde. Volstrekt niet. Ook zij ver-

Sluiten