Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minister van Justitie reeds gegeven is door de geëerde sprekers uit Alkmaar en Leiden, om zijne gedachte nader te verklaren, door sommige bedenkingen, betreffende zoowel de Memorie van Beantwoording als zijne rede van verleden Zaterdag, te versterken.

In § 1 dier memorie beantwoordt de Regeering een twijfel omtrent haren ijver voor onze constitutioneele instellingen met herhaling eener vroegere stellige verzekering: .dat dit Kabinet geen haarbreed van de Grondwet wil afwijken". Maar welke was de vraag? Niet of men van de Grondwet zou willen afwijken; daaromtrent bestond, geloof ik. geen ernstige twijfel noch vrees. Hetgeen wij het minst van al behoeven te duchten, is een oprechte kwade wil om de Grondwet te verbreken. Hetgeen wij zouden kunnen duchten, niet van de zijde van dit Gouvernement, maar in andere omstandigheden, is eene geveinsde gehechtheid aan de Grondwet; eene geveinsdheid, die de grondwettige instellingen als masker gebruikt om haar langzaam te ondermijnen.

Er is geene gedachte, Mijnheer de Voorzitter, die ik minder aan dit Ministerie toeken — dit Ministerie nemende als bezield van de gedachte, door den Minister van Justitie beleden — geene gedachte, die ik verder verwijderd acht van de belijdenis en de meening van dit Ministerie, dan zoodanige geveinsdheid. Maar desniettemin blijft de vraag overig: hoe zal men de Grondwet naleven? Gedwongen of vrijwillig? Als een feit, dat men moeilijk uit den weg zet, of wel als een levensbeginsel, dat men lief heeft?

Antwoordende op de vraag: denkt gij uwe kracht wel te zoeken in het gemeen overleg met de Vertegenwoordiging? schijnt het Gouvernement de behoefte aan het overleg eenigszins te willen beperken. Er wordt gezegd: „De Regeering stelt hoogen prijs op een gemeen overleg met de wetgevende kamers. Doch op welken hoogen prijs het Gouvernement het gemeen overleg met de wetgevende kamers ook stellen moge. niet onopgemerkt mag men laten dat geene Regeering daarin uitsluitend hare kracht kan zoeken." Dat was, meen ik, de vraag niet; uitsluitend is in het Voorloopig Verslag niet te lezen. De Ministers moeten, zegt het antwoord, niet minder hunne kracht zoeken „in eene trouwe handhaving van al wat recht en billijk is, in een ernstig onderzoeken en bevorderen van de belangen des volks." Wie twijfelt daaraan ? Maar hoever, Mijnheer de President, zal een gouvernement, in een constitutioneel land, het brengen zonder overeenstemming met de vertegenwoordiging over hetgeen recht en billijk is en over de ware belangen des volks? Zij, die de vraag in de afdeelingen deden, verlangden niet eentonigheid, maar harmonie; een zelfstandig gouvernement, niet een ministerie, dat voor de Kamers op de knieën valt.

„De Ministers moeten, zegt de memorie verder, niet minder hunne kracht zoeken in een gedurig streven om bij alles, wat men ver-

Thorbecke, Parlementaire liedevoeringen, 1856—1857. 28

Sluiten