Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord in een anderen zin dan welken de woorden duidelijk medebrengen. moeten worden opgevat, hoe komt het dan. Mijnheer de Voorzitter, overeen met hetgeen wij van den Minister van Justitie vroeger hebben gehoord? Ik herinner dat niet tot bestrijding, maar in het verlangen naar opheldering. In zijne rede van den 25sten September lees ik: „ Het is dus, naar het standpunt der Regeering, niet de taak der Regeering om te zorgen voor de Christelijke behoeften van het volk: dat is geenszins de taak des wetgevers; het is de taak der Regeering en haar plicht integendeel om dat geheel over te laten aan wien dat overgelaten moet worden. Woorden, ik behoef dat niet te zeggen, die ik met uitnemend genoegen heb gehoord.

Nog ééne bedenking over de Memorie van Antwoord; eene bedenking. waaraan ik veel hecht, omdat zij een beginsel en wel een zeer gewichtig beginsel onzer organisatie betrett. Er was in ons Voorloopig Verslag met weinig bijval gewaagd van werkzaamheid, door de Regeering in het uitvaardigen van circulaires en in het benoemen van staatscommissiën, begonnen met die over de doorgraving van de landengte van Suez. ten toon gespreid. Het Gouvernement antwoordt: „Het benoemen der staatscommissiën en het uitvaardigen der circulaires en aanschrijvingen minder tot het gebied der wetgeving behoorende, zoo schijnt het gevoelen, dat hier kenbaar wordt gemaakt, te dezer plaatse geene beantwoording te vorderen." Heeft dan de Vertegenwoordiging, heeft deze Kamer uitsluitend met wetgeving te doen? Of heeft zij ook kennis te nemen van den gang van het Bestuur en toezicht daarop? Zijn de Ministers voor dat bestuur niet verantwoordelijk ?

Bij deze reeks van vragen voeg ik een paar niet betrekking tot hetgeen wij eergisteren uit den mond van den Minister van Justitie vernamen.

Ieder vergelijkt, geloof ik, in stilte de rede van het geachte lid uit Alkmaar (den heer van Foreest) met hetgeen wij van den Minister hoorden en nog verwachten te hooren. Wellicht zal de Minister ons te dien aanzien ophelderingen willen schenken, welke mij, die op dit punt in volslagen duisternis verkeer, hoogst aangenaam zullen zijn. Ik geloof niet dat iemand, wat hij ook van de rede van het geachte lid uit Alkmaar denke, licht beweren zal dat de geest van die rede verzoenend was.

Als eerste beginsel van de anti-revolutie — en inderdaad kan zij niet leven, zoo ze een leven heeft, dan op dien grond heeft dat geëerde lid genoemd protest tegen d'' beginselen van Niemand zal betwisten, dat onze Grondwet van die beginselen van 1789 afkomstig is. De Minister van zijnen kant protesteert niet tegen onze Grondwet, zooals het geachte lid uit Alkmaar dat moest doen.

Sluiten