Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer de Voorzitter, in dit weldadig land 'i Zoo hier behoefte aan scholen van eene bepaalde kerkelijke richting bestaat, eene behoefte waarin door de behoevenden zeiven niet mocht kunnen worden voorzien, is het twijfelachtig of men zal eene menigte van bijzondere vereenigingen zien oprijzen, ten einde met hare middelen in de behoefte te gemoet te komen?

Ik keer tot de vraag terug: welke is de gedachte, die gij vertegenwoordigt? Zoo het die is. welke ik vermoede, zij zal mij noch ontevreden, noch ongerust over de aankomst van dit Ministerie maken. Wanneer ik van gedachte spreek, dan neem ik als eenheid van gedachte van het gansche Ministerie aan hetgeen de Minister van Justitie tot dusver heeft verkondigd en hetgeen hij, hoop ik, ons verder, in het vervolg der discussie, zeggen zal. Ik veroorloof mij geene anatomie, geene terugroeping van antecedenten van leden van dit Ministerie. Ik neem aan, zoo ik mij mag veroorloven voor een oogenblik in de taal te spreken van het geëerde lid uit Alkmaar, dat alle Ministers, geschaard om den Minister van Justitie, al mochten zij ook vroeger op de afwegen of in de zondige holen van het liberalisme zijn geweest, in die ééne gedachte zijn wedergeboren. Ik beschouw de aankomst van dit Ministerie, met de gedachte. die het mij schijnt te vertegenwoordigen, als natuurlijke ontwikkeling of als een ziekteverschijnsel — ik beslis op dit oogenblik niet. Is uw stelsel — mag ik daaraan den naam van het anti-revolutionaire stelsel geven V — inderdaad een levenselement van staatsregeering, dan heeft dat beginsel recht op de plaats gesteld te worden waar men regeert. Van mijne zijde zal ik gaarne de ontwikkeling afwachten. Het is eene proefneming, waartegen wij, geloof ik, niet moeten opzien. Wat mij betreft ik ben voor die proefneming hoegenaamd niet beducht.

Er is nog eene andere reden waarom ik met een bijzonder genoegen dit Ministerie zie plaats nemen. Uwe gedachte is eene ernstige, eene verhevene gedachte; het is onmogelijk, dat een minister, daarvan bezield, bedoele zich in den zonneschijn van vorstelijke gunst te warmen. Aan zoo iemand draag ik hoogachting toe. Ik durf daarom nog niet zeggen, vóór ik hem aan het werk heb gezien, dat hij eene regeeringsgedachte vertegenwoordigt: men kan een verzoenend, eerlijk, welwillend man zijn; maar men zou zich wellicht bedriegen, wanneer men dacht dat niets anders dan eene verzoenende gezindheid, dan eerlijkheid en welwillendheid tot regeeren vereischt wordt.

Voor zooveel er onzekerheid over de richting van dit Gouvernement bestaat, wensch ik die onzekerheid, in zijn belang, te zien opheffen. Ik voor mij zou — kon ik — het ministerieele leven van dit Kabinet, zoover thans mijn oordeel gaat, niet willen verkorten ; ik zou het Kabinet liever willen versterken door het hoopje

Sluiten