Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4 tier constitutie van 1848 zegt: -La personne du Hoi GrandDuc est inviolable; les membres du Gouvernement sont responsables." Het is art. 53 onzer Grondwet. Verandering wordt noodig gekeurd op dezen grond: „I/antithèse de 1'inviolabilité du Souverain et de la responsabilité des ministres est inadmissible, parcequ'elle semble impliquer que 1'une n'existe qu a condition de 1'existence de 1'autre."

Een ander artikel schrijft, gelijk ons 73ste artikel, liet ministerieel contreseing voor. Op dat voorschrift verlangt men vier uitzonderingen : ik zal er slechts eene als voorbeeld opnoemen; zij betreft de besluiten van den Groothertog om ministers te benoemen of te ontslaan. Dus de meest gewichtige regeeringsdaad — die dan geschiedt wanneer een regeeringsstelsel wordt veranderd — aan de verplichting van het contreseing onttrokken.

Art. 47 zegt. als art. 104 onzer Grondwet, dat de wetgevende macht gezamenlijk door den Koning Groothertog en de Vertegenwoordiging wordt uitgeoefend. Volgens het voorstel tot herziening mag dit zoo niet blijven, omdat ,1e principe de l'unité de la puissance publique doit faire écarter toute dénomination et toute rédaction rappelant la division des pouvoirs.''

Art. 76, overeenkomende nipt art. 70 onzer Grondwet, geeft den Koning Groothertog het recht tot ontbinding der Kamer en bepaalt, dat het besluit tot ontbinding oproeping der kiezers inhoudt binnen dertig dagen, en samenkomst der nieuwe Kamer binnen de tien volgende dagen. Met betrekking tot dit artikel zegt het voorstel tot herziening: .La disposition de eet article consacre le principe de la souveraineté du peuple, en ce qu'il considère la dissolution de la chambre comme un appèl aux électeurs, et appelle la chambre, sortie des nouvelles élections, a statuer définitivement sur le conilit qui a provoqué la dissolution. La dispositon doit donc étre moditiée, en même temps qüe disparait le principe sur lequel elle repose."

Het laatste voorbeeld, Mijnheer de Voorzitter, zij de jaarlijksche begrooting van ontvangsten en uitgaven. In de plaats daarvan stelt men eene begrootingswet, waardoor alle gewone en blijvende ontvangsten en uitgaven, en over het algemeen alle die noodig zijn om den geregelden gang der onderscheidene takken van den publieken dienst te verzekeren, voor eens en altijd worden vastgesteld: alleen de niet permanente ontvangsten en uitgaven behoeven jaarlijksche vaststelling.

Ik treed niet op, Mijnheer de Voorzitter, als verdediger van de Luxemburgsche constitutie van 1841: maar de bepalingen, die ik heb genoemd, zijn bepalingen van onze Grondwet. Ik vraag, wanneer om het monarchaal beginsel, in de laatste jaren, mijns inziens, zoo dikwerf verkeerdelijk, tot verzwakking van dat beginsel.

Sluiten