Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

listisch zijn. Dat hetgeen als ideaal der anti-revolutionaire partij door den Minister is beschreven, steeds door ons werd bestreden, ik behoef dit niet te herinneren. Ten aanzien van hetgeen de Minister als ideaal der tweede richting schetste, vind ik mij in een eenigszins moeilijken stand. Wanneer aan iemand hetgeen men voor zijn portret uitgeeft wordt voorgelegd, dan zal hij ongaarne de opmerking maken, dat het leelijk is. De Minister heeft de richting, waarvan hij de zijne meent te kunnen onderscheiden, getracht door hetgeen hij hare uitersten noemde te kenmerken. En die uitersten waren in zijne voordracht nog al gevoelig. Zoodanig uiterste deiliberale richting was bijv. „het staatsdespotisme, dat zedelijk, of ten laatste physiek, moest vermoorden". Herkent men hieraan het liberalisme'? Ik behoef geen antwoord van den Minister; ik lees het, dunkt mij, op zijn gelaat. Men karakteriseert niet, men overdrijft door eene schildering van uitersten, zelfs wanneer die bij gevolgtrekking uit de beginselen van hetgeen men voor oogen stelt, kunnen worden afgeleid. Hoe echter, zoo die uitersten niets met de beginselen gemeen hebben, ja daardoor worden gelogenstraft ?

Op één punt is, meen ik, de Minister vooral niet getrouw gebleven aan den hoofdregel zijner politiek. Die regel gebiedt, te rade te gaan met de aktualiteit. Heeft de Minister dat bij zijn oordeel over de liberale richting gedaan ? Hij heeft eene plaats voorgelezen uit Rousseau, en vervolgens uiterste gevolgtrekkingen voorgespiegeld, welke door hem en anderen, die over de liberale beginselen niet hebben doorgedacht, daaraan kunnen zijn toegedicht. Waarom niet het werk, wetgeving en bestuur, der liberalen, in andere landen en ook in dit land. geraadpleegd? Dat is de aktualiteit, waaruit, en niet uit scheeve redeneeringen. volgens het eigen systeem van den Minister, het karakter der liberale gedachte zou behooren te worden opgemaakt.

De Minister vindt zoowel in de liberale, als in de anti-revolutionaire richting een idealistisch streven; daartegenover plaatst hij zijne „politiek der aktualiteit". Maar wat voegt de Minister er bij'? Hij gevoelt zich, zooals ieder denkend man, gedrongen te erkennen, dat geen wetgever, geen staatsman iets groots en goeds tot stand zal brengen, dan onder den invloed van eenig ideaal. Wanneer men een toestand wil regelen, moeten de regels aan een ideaal zijn ontleend; men kan nationale behoeften niet vervullen zonder een ideaal voor den geest te hebben. Dat ideale denken kan worden overdreven; de Minister wil eene idealistische politiek, maar zonder overdrijving; en nu is de vraag, of in onze richting, daar waar liberalen aan het werk zijn geweest, het onmisbare ideale element niet anders dan in zijne overdrijving gevonden wordt?

Voor het overige, wanneer de Minister zegt, dat elk kabinet „een nationaal gevoel achter zich moet hebben"; wanneer hij zegt:

Sluiten