Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb daarvan dezen ochtend, liet algemeen programma van het Ministerie met dat van Justitie in verband beschouwende, gemeend een voorbeeld te moeten bij brengen.

Ik verlang ook nu niet dat de Minister mijne beginselen belijde of volge, maar hetgeen ik blijf verlangen, is niet dat wij hier disputeeren of de disputatie voortzetten over „abstrakte" beginselen, maar dat wij niet in twijfel blijven over zeer gewichtige beginselen van Regeering.

Ik houd den Minister voor een eerlijk man, die zoo genegen is als iemand zijn kan. ja dien het natuurlijk is, zijne beginselen getrouw te blijven, maar dien daarbij eene bijzondere overhelling eigen is om van een gevoelen gemakkelijk over te glijden tot een ander. Ik zou het haast durven noemen transactie met zich zeiven. die men. juist in den eerlijksten man, licht ontmoet.

En nu onderscheidene beginselen van regeeringsbeleid ter sprake zijn gebracht, meen ik met een enkel woord te mogen en te moeten aanstippen hoe ik over de verklaring van den Minister denk.

Ten eerste de politie. Ik laat het bijzonder verband, waarin hier aanleiding gevonden werd. ten gevolge eener vroegere interpellatie, de roeping der politie te behandelen, geheel daar: maar meen te mogen beweren, dat zoo het begrip des Ministers van die roeping een beginsel van regeering moet worden, de politie niet zal zijn een middel om de rust te bewaren, maai' een zeer vruchtbaar middel om die te verstoren. Indien dat eene algemeene bevoegdheid dei- politie moet zijn, hetgeen het beginsel van de censuur is, te voorkomen; indien die bestemming der politie niet binnen een zeer juist afgebakend terrein wordt gehouden, dan zal de politie een van de gevaarlijkste werktuigen in den Staat worden.

In de tweede plaats, Mijnheer de Voorzitter, kan ik mijn zegel niet hechten aan des Ministers stelsel van organisatie der politie.

De Minister wil, zooals hij in zijne Memorie van Beantwoording zegt „alle verspreide politiekrachten tot één geheel brengen". Doch zoo ik hem wel begrepen heb, zoo ik zijne handelingen tot dusverre wèl heb nagegaan, is het niet dat wat hij bedoelt. Tot een geheel te brengen kan eene aannemelijke gedachte zijn: het gansche Staatsbestuur moet een geheel uitmaken; maai- hetgeen hij bedoelt is alle speciale takken van politie samen te smelten. Dat schijnt mij onmogelijk en, zoo het kon, niet doeltreffend. Bij zoodanige samensmelting lijdt het geheel. Men zal altijd moeten onderscheiden de politie, die te waken heeft voor de veiligheid van personen en goederen en voor publieke orde in het algemeen, en zoo menigen specialen dienst van politie, die tot uitvoering of toezicht strekt ten gevolge van bijzondere, soms technische' maatregelen, welke de staatszorg in het algemeen belang verordent. Bij voorbeeld, het toezicht op de wegen en middelen van vervoer; dat Thorbecke, Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857. 29

Sluiten