Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werken van algemeen nut is ook in dit land, gelijk elders, een middel geworden om populariteit te verwerven.

Op den verstandige kon dit geen indruk maken, die bedacht, dat. na den eens gegeven stoot, ieder Minister van Binnenlandsche Zaken, wie ook. zich die werken met ijver zal moeten aantrekken.

Maar wèl kon men hij de woorden der troonrede vreezen. dat het Gouvernement te ver zou gaan en de ontwikkeling der partikuliere krachten niet zou opwekken, maar tegenhouden. Frankrijk is, wat de deelneming van bijzondere personen aan werken van algemeen

nut betreft, vroeger en later ten achtere geweest en gebleven.

waarom? Omdat het Gouvernement te ceel deed. Zie daartegen in Engeland en Noord-A merika de voorbeelden van hetgeen volkskracht vermag. En ons land. ik geloof niet, Mijnheer de Voorzitter, dat in de geschiedenis een land is aan te wijzen, waar voor dergelijke werken door bijzondere personen en vereenigingen zoo veel gedaan is als bij ons. Waterschappen, vaarten, kanalen, wegen, droogmakerijen werden hier, door nationale inspanning, bij menigte aangelegd, toen men elders nog werkeloos op de overheid bleef wachten.

Moest dat element door ontijdige tusschenkomst der Regeering worden verlamd? Men kon dit bij het lezen der troonrede duchten. Onze geachte Voorzitter, in het bijzonder, zal mij niet tegenspreken, wanneer ik zeg. dat ik voorwaar geen vijand ben van deelneming der overheid aan de bevordering van werken van algemeen nut; maar het komt op de wjjze van deelneming aan. Een vrij volk moet men. geloof ik. in de eerste plaats zich zelf laten helpen, en zoo zijne regeering den ijver en het vermogen der partikulieren op werken van algemeen nut weet te richten, zal het oneindig méeï tot stand brengen, dan de rijkste overheid vermag. Moest ik kiezen tusschen eene overdreven, voorkomende, alles ondernemende staatszorg en geheele overlating aan partikulieren, dan zou ik mij haast scharen aan de zijde van hen. die het laatste wenschen.

Zoo echter beduchtheid voor het eerste uit de troonrede kon ontstaan. die vrees is tot dusver niet bewaarheid. Waarop toch is dat alles uitgekomen, wat ons scheen te zijn voorgehouden? Men kon vreezen, reeds op de begrooting voor 1857 aanzienlijke sommen voor het aanleggen van spoorwegen te zien uittrekken. Wat is daarentegen tot dusver gebeurd? Men vindt dat in den aanvang der Memorie van Toelichting opgesomd. Eene opgaaf der spoorwegen, die ten gevolge van vroegere concessiën reeds tot stand zijn gebracht; vervolgens van die, waarvoor in dit jaar werd onderhandeld of voorloopige concessie werd verleend, zonder dat nog een begin van uitvoering is gemaakt.

Dit geeft mij aanleiding om een verlangen aan de Vergadering te onderwerpen, vroeger reeds in eene andere betrekking door mij

Sluiten