Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekoesterd, maar dat ik toen niet kon vervullen. Het betreft eene wet tot regeling der concessie». In andere landen wordt autorisatie der wetgevende macht gevorderd voor elke concessie of onderneming. Voor dat stelsel, zooals het in Öroot-Brittannië en België gevolgd wordt, is veel te zeggen, maar ik omhels het tot dusverre niet. Ik meen dat men zeer wel de proef zou kunnen nemen van eene algemeene wet. die de regels geeft, door het gouvernement in de eerste plaats in acht te nemen. Er moet, dunkt mij, een waarborg zijn dat niet willekeurig voorkeur kunne worden gegeven aan den eenen boven den anderen. Kr moet een waarborg zijn dat eene verleende concessie niet willekeurig kunne worden onttrokken. Voorts behoort, mijns inziens, de wet het recht te bepalen, dat de concessionaris over het algemeen op het genot deiconcessie heeft. De macht van het gouvernement over geconcessioneerde spoorwegen en hunne exploitatie, de verbintenissen die aan den concessionaris kunnen worden opgelegd, de zaak der waarborgkapitalen, behoeven, meen ik. eene algemeene wettelijke regeling. Zoodanige wet zou aan het gouvernement zijne taak gemakkelijker maken en zeer bevorderlijk kunnen wezen om de partikuliere kapitalen aan onze werken van algemeen nut te verbinden.

Ten slotte een paai- vragen ov^r eenige bepaalde aanzoeken om concessie.

De eerste betreft eene aanvraag om concessie tot het leggen van een tweeden telegraafdraad van hier naar Engeland. Zoo ik wel onderricht ben. wilden de aanzoekers met de bestaande onderneming dingen, ten einde door een lager tarief de correspondentie met Duitschland en Frankrijk over ons land te trekken. De concessie van den bestaanden onderzeeschen telegraaf is verleend zonder uitsluitend recht. Dat de concessionaris van dien telegraaf zoodanig monopolie niet begeerde, is zelfs de eenige reden geweest, waarom hij de voorkeur erlangde. Het tegenwoordige Gouvernement nu heeft de aanvrage om vergunning tot het aanleggen van een tweeden telegraafdienst naar Engeland geweigerd, „omdat daaraan voor dit oogenblik geene behoefte bestond". Weigering en reden beide, voor mij tot dusver onverklaarbaar.

Ten andere. Onderscheidene geachte leden hebben de toekomstige noord-oostelijke spoorwegen ter sprake gebracht. Te dien aanzien was reeds den 25sten December 1852 eene concessie aangevraagd. Daarop is door den voormaligen Minister van Binnenlandsche Zaken den 6den Mei 1853 geantwoord: „dat, daar zich vóór hen ondernemingen hadden opgedaan, met welke het Gouvernement zich over een aanleg dier wegen in betrekking heeft gesteld, aan hun verzoek geen gevolg kan worden gegeven". Thans zijn die aanvragers teruggekomen en hebben concessie gevraagd om een spoorweg aan te leggen :

Sluiten