Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De noodzakelijkheid van het subsidie aangenomen. Doch ook hiertegen is men in de sectiën opgekomen. Het subsidie van rijkswege is, beweerde men, niet noodzakelijk. Men legge, zeide men, — het denkbeeld is niet oorspronkelijk van mij — op elk der 16.000 bunders 50 centen, en de som is in den boezem der gemeente gevonden. Wat antwoordt het Gouvernement ? „Daargelaten of zoodanig recht kan worden geheven, waar aan de koopers vrijdom van grondlasten is toegezegd en in de koopconditiën slechts van de heffing van een bundergeld tot onderhoud der werken voor de droogmaking melding is gemaakt, staat art. 245 der gemeentewet, hetwelk in de direkte belastingen uitsluitend de inwoners der gemeente aangeslagen wil hebben, in den weg."

Wat het eerste bezwaar betreft, twijfel ik zeer, of koopkonditiën aan gemeentelasten in den weg kunnen zijn. Green kooper kan terecht gelooven, dat hij. door welke koopconditiën ook. tegen den gemeentewetgever zij gewaarborgd. Wat het tweede bezwaar aangaat, wenschte ik wel, dat de Minister art. 245 en zijn betoog nog eens nauwkeurig herzag. Ik wensch niet. dat de gemeentewet eene belemmering schijne waar zij liet in geenen deele is. Art. 245 zegt: „In de hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke direkte belastingen worden uitsluitend de inwoners der gemeente aangeslagen." Die regel nu wordt in de Memorie van Beantwoording zóó opgevat, alsof geenerlei direkte belasting op de eigendommen van niet inwonenden mag worden gelegd. Zoo dat juist ware, dan konden zij niet aan de gemeente-opcenten van de grondbelasting onderworpen worden. Dit geschiedt echter wel, en terecht. De gemeentewet laat geen twijfel hoegenaamd. Art. 244 zegt: „Hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke direkte belastingen worden niet geheven, alvorens gemeente-opcenten op de grondbelasting, op de gebouwde eigendommen tot tien, op de ongebouwde tot vijf. en de opcenten op de in art. 242 bedoelde Rijksbelastingen tot vijftien zijn opgevoerd." Derhalve, de gemeentewet onderscheidt zeer uitdrukkelijk hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke direkte belastingen van gemeente-opcenten op de grondlasten op de gebouwde eigendommen en andere Rijksbelastingen. De vrijdom, in art. 245 bedoeld, ziet uitsluitend op de eerste.

De leden nu, die het aangestipte denkbeeld in de sectiën voorstonden, waren van oordeel, dat, al wierd de grondbelasting niet geheven, evenwel eene gemeentebelasting van de grondeigendommen ook van niet-inwonenden kan worden gevorderd, niet in den vorm van opcenten. maar eene som gelijkstaande met die welke men anders, in den gewonen toestand, bij wege van opcenten zou heffen. Het bunder dooreen op vijftig centen gesteld, dit zou waarschijnlijk de som, die men, volgens de gemeentewet, in opcenten op de gronden ook van niet-inwonende eigenaren kan leggen, nog niet evenaren.

Thorbecke, Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857.

80

Sluiten