Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rede van den Minister — en ik behoor gewis onder diegenen, die den Minister van Justitie steeds gaarne hooren. vooral sedert zijne eptreding als Minister — heeft mij den indruk gegeven, dat hij, die ons en zich zeiven tegen hetgeen men idealiseeren noemt, ijverig waarschuwt, zich een imaginair systeem voorstelt: dat hij zich bevindt op een glad terrein, waai' hij zelf bij iedere beweging glijdt. De Minister van .Justitie wenscht vooral den aandrang af te weren, dien men tegen het Gouvernement heeft gebezigd om te weten wat het Ministerie over de onderwijsvraag denke. De Minister zegt: wij hebben u drie grondslagen medegedeeld : wij zullen eerbiedigen, in de eerste plaats de gehechtheid der natie aan het Christendom, in de tweede plaats, de gehechtheid der natie aan de gemengde school, en ten derde, in acht nemen, de mate der Christelijkheid niet te bepalen. Die drie grondslagen hebben wij u medegedeeld: mée'r te willen weten, de hoofdtrekken der toekomstige regeling mede te deelen en aan discussie over te leveren zou niet Nederlandsch parlementair zijn. Ook Iaat zich door gissing vrij veel aanvullen."

Wat het laatste betreft — gissen — ik zou het niet durven wagen. Want in de laatste dagen heeft zoo menige gissing, die mij hoogst waarschijnlijk voorkwam, mij bedrogen. Ik zou dus aan niemand, die door gissen tot de waarheid wil komen, durven aanbevelen zich daaraan met dit Ministerie toe te vertrouwen.

Hetgeen de Minister grondslagen noemt. kan. dunkt mij, hen. die het ministerieele denkbeeld wenschen te kennen, slechts in verwarring brengen. De Minister van Justitie noemt als eersten grondslag de gehechtheid der natie aan het Christendom: als tweeden hare gehechtheid aan de gemengde school: maar hij is immers dikwijls genoeg in de gelegenheid geweest hier te hooren, dat, volgens veler meening, die twee grondslagen met elkander in strijd zouden kunnen komen. En wat de mate van < .hristelijkheid betreft, dit is eene ook mij onverklaarbare uitdrukking. Ik heb aan den Minister van Binnenlandsche Zaken eene uitlegging verzocht, die mij niet is geworden. Evenwel behoor ik niet tot de ongeduldige wenschers; ik heb niet gevraagd naai' hetgeen het Ministerie zich voorbehield: ik heb enkel verklaring gevraagd van hetgeen hier door den Minister gezegd en mij niet duidelijk was.

De Regeering wil niet me'ér zeggen; onze geachte Voorzitter veroorlove mij opnieuw te spreken in den geest der leden die meer verlangen. De Minister van Justitie heldert de reden van het ministerieel zwijgen door eene vergelijking op: „zoudt gij van den kunstenaar, die u met een voltooid kunstwerk wenscht te verrassen, eischen, dat hij vooraf eene onvoltooide schets, een blok, min of meer bewerkt, in plaats van het standbeeld, liet zien?" Men zou, bij dat voorbeeld blijvende, zich evenwel ook kunnen voorstellen.

Sluiten