Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Ministers willen zich aan geene partij sluiten. Dat is. volgens den Minister van Justitie, de ware regeeringswijsheid. In ééne onderstelling, Mijnheer de Voorzitter, dat men het goede, de waarheid. het recht, als verdeeld tusschen onderscheidene partijen kunne beschouwen. Maar is dit. bij de betrekking, waarin de partijen tot elkander staan, altijd juist ? Zoo er eens in een constitutioneelen Staat eene partij ware, die (f/iti-coHstitutiotieele beginselen beleed, of zonder belijdenis trachtte te verwezenlijken, dan zou toch het recht wel aan de zijde der consfifntioneele partij wezen, en zou het Ministerie, dat zich aan die partij niet aansloot, de constitutie, het recht des Lands verzaken.

.Elke Regeering", zegt de Minister, .die zich aan eene partij aansluit. delft haai' eigen graf. Mijnheer de Voorzitter, het zijn niet de constitutioneelen die de leer van liet bestaan van partijen en partijschap in deze Kamer hebben gebracht. Toen van de zijde dei constitutioneelen steeds werd beweerd, öf dat er geene partijen bestonden, of dat men tot eene partij wilde maken hetgeen geene Partij was. toen is van eene andere zijde, meer verwant aan den Minister \an Justitie, het denkbeeld van partijverdeeling en partijeischen ijverig op den voorgrond geplaatst.

In allen geval dit Ministerie behoort tot geene partij, en. zegt de Minister van Justitie, „dit is geene beginselloosheid." Onder ée'ne voorwaarde, dunkt mij. dat het Ministerie, tusschen al de partijen door. een beginsel kunne vatten en vasthouden; een beginsel. waardoor zich dit Ministerie van alle partijen onderscheide om met dien sleutel eene eigene politiek te openen. Men zegge niet, dat men eclectisch te werk zal gaan: want dit brengt ons niet verder. Wat men kieze uit de stelsels of begrippen der verschillende partijen, het moet getoetst worden aan het beginsel, dat het Ministerie buiten de partijen als zijn beginsel en richtsnoer belijdt. Zoo komen wij tot eene ministerieele politiek, die men van wege het kenmerkend beginsel ook eene ministerieele partij zou kunnen noemen.

In dit opzicht zoowel als in de stelling, welke de Minister telkens hei haalt en .toegeven aan de noodzakelijkheid der toestanden" noemt, schijnt mij dit Ministerie een imaginair systeem, een politiek op het papier te koesteren; een politiek op het papier, welke door het gezag der historische ervaring, waarop de Minister zich beroepen heeft, weérsproken wordt. Zoo het waar is hetgeen hij beweert, dat elke regeering die zich aan eene partij aansluit — welke ook de beginselen of de hoedanigheid der partij mogen zijn haai eigen graf delft, hoe verklaren wij dan de Hegeering van Engeland, wier partijkarakter haar niet belet heeft, zooals de geschiedenis zegt. het algemeen belang op groote schaal en met groot gevolg te bevorderen ?

Sluiten