Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En niet alleen deze bedenking, dat men slechts zou herhalen hetgeen reeds meermalen is gezegd en in het geheugen van een ieder moet liggen, kon velen wederhouden. maar ook dat er hier verschil is over feiten waarover men ten laatste tegenover elkander staat, als het ja tegenover het neen. Waartoe dan het neen vroeger uitgesproken dan bij de stemming over het hoofdstuk?

Bij voorbeeld het punt, zoo dikwijls behandeld, dat de Minister van Oorlog nog dezen morgen heeft aangeroerd. „Daar is — heeft de Minister van Oorlog gezegd — geen cent uitgegeven ten gevolge van buitengewone omstandigheden." Hij zeide eerst, ten gevolge van buitengewone omstandigheden, dan ten gevolge van buitengewone politieke omstandigheden. Hoe men het uitdrukke. hierover bpstaat tusschen den Minister en sommige leden der Kamer een verschil van beschouwing, dat zich niet dan in ja en neen oplost. Wanneer ik mij herinner wat ten aanzien van het bedoelde wetsontwerp ') is voorgevallen, niet alleen de bewoording waarin en de wijze waarop het is aangenomen, maar de verklaring van zoo vele leden bij die en latere gelegenheden, dat zij in het verhoogde cijfer alleen van wege de politieke omstandigheden zouden toestemmen, dan zie ik hier een verschil, waarover het, meen ik, nutteloos zou zijn een betoog over en weêr te voeren; te nutteloozer wanneer men wenscht, gelijk ieder dat wenschen moet. dat de strijd, in deze Kamer gevoerd, steeds blijve een parlementaire strijd.

Een tweede punt. De minister van Oorlog doet het dezen morgen weer, gelijk verleden jaar, zoo ik mij wèl herinner, voorkomen, alsof het verschil tusschen hem en de leden, die zijne begrooting voor te hoog houden, hierin bestond, dat hij eene macht van defensie wil tegenover vertegenwoordigers, die van geene weerbaarheid willen hooren. Doch in hunnen zin is de vraag geheel anders. Die leden willen evenzeer het defensief vermogen van het land verzekerd zien; maar zij zijn overtuigd dat daartoe de som. welke de Minister vraagt, niet noodig is.

Waartoe nu, Mijnheer de Voorzitter, eene discussie gevoerd over twee beweringen, zoo lijnrecht tegenover elkander geplaatst? „Er is geene verdediging mogelijk — zegt de Minister — wanneer gij de middelen, die ik vorder, niet aanneemt." Alsof er hier verschil ware, niet over een of twee millioen. maar over het geheele cijfer, voor de uitgaven van Oorlog te besteden!

De rede van den Minister geeft mij aanleiding om nog drie andere punten aan te stippen.

Het eerste betreft het verband, dat. volgens den Minister, bestaat tusschen ons leger hier te lande en het leger in Indië. „Wij behoeven — dit is het betoog van den Minister — hetgeen ik

') Vergel. Dl. III, 1853—1854, blz. 405 vlg.

Sluiten