Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste van top tot teen uit bestanddeelen van het laatste is samengesteld, en vervalt dus de daarop gegronde eisch van een hooge begrooting hier te lande. De Minister zegt nu dat de inlandsche manschappen van het Indische leger toch alleen door korporaals, onderofficieren en officieren van het Nederlandsche leger kunnen worden aangevoerd. Zoo ik mij niet bedrieg, zijn er ook inlandsche korporaals en onderofficieren; zoodat zelfs in de vervulling dezer rangen op verre na niet uit het Nederlandsche leger wordt vooi'zien.

Wat eindelijk de vergelijking met de kosten van het departement in België betreft, ik geloof. Mijnheer de Voorzitter, dat het best zal zijn de cijfers in het Bijblad af te wachten. De cijfers, die de Minister heeft aangevoerd, zijn uit de begrooting van 1856. Tusschen die en de cijfers, welke ik heb genoemd, uit de begrooting voor 1854, is geen het minste verschil. Maar ik heb het raatériel of de bureaukosten noch voor België noch voor ons, doch daarentegen het topograpisch bureau, dat, bij ons onder art. 8 uitgetrokken, in België onder art. 5 van het budget begrepen is, medegerekend. Nu zouden wij hier een groot bord moeten hebben, om alles zichtbaar tegenover elkander op te tellen. Ik zie daarvan af. Ieder die wil, zal, zoodra het Bijblad zal verschenen zijn, onze opgaven nevens elkander kunnen leggen en de slotsom opmaken."

10 December. Hoofdstuk XI der staatsbegrooting (Koloniën). Algemeene beraadslaging.

Vrijheid van drukpers. Er gingen geruchten over het totstandkomen van eene verordening, waarbij aan de vrijheid van drukpers nieuwe en groote belemmering werd gedaan. Hierover ondervraagd, had de minister gezegd, dat eene verordening wel aan den gouverneur-generaal was toegezonden ter afkondiging, doch dat afkondiging nog niet had plaats gehad. Verder liet de minister zich over de verordening nog niet uit.

Een koninklijk besluit van 18 Januari 1854 strekte tot handhaving van den eigendom der rijksarchieven in de koloniën. Daarbij was aan een ieder verboden, zonder uitdrukkelijke machtiging van regeeringswege „a. aan onbevoegden inzage, afschrift of uittreksels te geven van de archieven van het gouvernement, of van die van eenige op hoog gezag ingestelde administratie of inrichting van openbaar bestuur: b. eenig gedeelte van die archieven, ook niet bij wijze van uittreksel, door den druk of eenige andere wijze openbaar te maken". Het verbod werd door strenge straf bedreiging gehandhaafd: burgerlijke ambtenaren en militairen konden worden getroffen met ontslag uit den dienst; gepensionneerden met verlies van pensioen of onderstand ; voormalige, niet gepensionneerde ambtenaren, enz. met boeten van f 1000 tot f 8000. Dit besluit was streng gecritiseerd.

Ik hoorde den Minister zooeven zich beklagen, dat zeker nog verborgen besluit, betreffende de drukpers, ongerustheid scheen te

Sluiten