Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meld, doch onderwerp die aan de controle van den Minister. Ik gewaag van de zaak enkel in het algemeen belang; de personen, in de aanvrage aan den Minister van Koloniën betrokken, zijn mij hoegenaamd niet bekend.

Volgens de ontvangene mededeeling hebben zich drie Amsterdamsche handelshuizen den 9den Juli 1855 gewend tot het bestuur .ter bekoming van concessie voor de daarstelling van eene maandelijksche pakketvaart van Nederland op Java en terug; met een jaarlijksch subsidie van f 150,000 ter tegemoetkoming in de kosten".

De Minister antwoordde, dat hij met groote belangstelling kennis van het verzoek had genomen en den inhoud overwogen, maar dat in den Ministerraad het denkbeeld was geopperd om gelegenheid tor concurrentie te openen.

Ten gevolge daarvan werden in de Staats-courant van den lsten September 1855 al de belanghebbenden opgeroepen om binnen een zekeren termijn, tot den laatsten dag dier maand, aan den Minister van Koloniën hunne plannen tot daarstelling eener maandelijksche pakketvaart tusscheu Nederland en Java in te dienen, onder bijvoeging, dat de voorkeur zou worden gegeven aan de onderneming, welke zou bevonden worden bij de minste eischen de meeste waarborgen voor de bereiking van het doel op te leveren.

In November gaf de Minister te kennen, dat vier plannen waren ingekomen, wier onderzoek aan eene commissie, in overleg met het Departement van Marine, was opgedragen, en dat aan haar rapport, zoodra het zou ontvangen zijn, openbaarheid zou worden gegeven.

In December vernam men van den Minister, dat het plan van den 9den Juli 1855 door de commissie als het beste, doelmatigste, minst eischende en de meeste waarborgen in zich bevattende, was aanbevolen. De Minister voegde daarbij, dat hij de zaak ter overweging gebracht had in den Ministerraad, en op eene spoedige afdoening van wege zijnen opvolger rekende. Wij kunnen ons herinneren, dat de toenmalige Minister zich in een onzer zittingen van de maand December van verleden jaar in gelijken zin, als ware de onderhandeling rijp om te worden afgedaan, heeft uitgelaten.

De tegenwoordige Minister bevestigde de verklaring van zijnen ambtsvoorganger, verzekerende dat hij met evenveel warmte de zaak voorstond en die onder de eerste bij zijne komst aan liet Ministerie zou behandelen en ten einde brengen.

Toen men evenwel niets verder hoorde, drongen de verzoekers in het laatst van Februari dezes jaars andermaal aan. En nu werden zij verrast door het antwoord, dat de Minister, kennis van hunne voorwaarden genomen hebbende, die. waarop het Gouvernement genegen zou zijn concessie te verleenen, in de Staatscourant zou bekend maken, om vervolgens aan den minst eischende de onderneming te gunnen.

Sluiten