Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

send onderzoek de medewerking des Gouvernements tot eene verbinding van zoo uitnemend gewicht tusschen het moederland en onze koloniën in Indië doen afhangen, schoon erkennende, dat die medewerking reeds nu in het algemeen belang zou zijn?

12 December. Gemeenschap met Java.

Uitvoering van artikel 59 der grondwet. Waaruit moet de behoefte aan wettelijke regeling worden beoordeeld?

Ik had gewenscht, dat de Minister iets later ware opgestaan en mij alzoo gelegenheid had gegeven vóór hem te spreken, in welk geval hij mijne bedenkingen tegelijk met die van andere leden kon hebben beantwoord.

Ik vraag de aandacht der Vergadering gedurende eenige oogenblikken voor twee onderwerpen. Het eerste, reeds gisteren behandeld, betreft eene geregelde pakketvaart naar Indië; het andere, de organiseerende werkzaamheid van het Departement van Koloniën tot uitvoering van het regeeringsreglement.

I. Wat de gemeenschap met Indië betreft door eene geregelde pakketvaart, veroorloof ik mij vooraf eene opmerking over de wijze van behandeling, en dan over de zaak zelve.

De Minister zeide gisteren, dat hij. wat dit punt betreft, „een bevredigend antwoord zou geven. Ik erken, in zekere mate heeft hij dit gedaan: en ik wensch den Minister geluk, dat hij zich ten minste door het ongelukkige Suez-besluit niet meer wil laten ophouden. Voor het overige komt het antwoord van den Minister hierop neêr: „ik overweeg." En inderdaad zijn wij op dit oogenblik juist evenver als toen men anderhalf jaar geleden begon te overwegen.

De behandeling dezer zaak is weder een zeer duidelijk voorbeeld van den gewonen trant van het koloniaal bestuur hier te lande. Het is het bureau-karakter, meer administratief dan regeerend. Het kenmerkt zich bij ieder Ministerie — niet alleen bij dat van Koloniën — door eene gladheid van stijl, waarop iedere aandrang, alle nieuwigheid, al wat verandering in de dagelijksche beweging kan brengen, afglijdt. Een nuttig en noodig karakter, wanneer het binnen den kring zijner roeping blijft; maar verderfelijk, wanneer het in de regeering doordringt en den Minister overheert.

In de geschiedenis, die ik gisteren voordroeg, hebben wij opnieuw den slependen gang der bureaux en hunne kunst om eene zaak te verschuiven, of aan het eerste het beste haakje te laten hangen, kunnen opmerken. Ik wensch geen bestuur met sprongen of geniestreken: maar waarop dat gestadig draaien om zich zeiven, dat gedurig uitstel zoeken en altijd wachten uitkomt, hebben wij gezien.

Wat de zaak zelve betreft, heeft de Minister ons dit gezegd: „bij mijne aanvaarding van het Departement vond ik de aanbie-

Sluiten