Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 December. Ontwerp van wet tot wijziging van hoofdstuk V der s> aatsbegrooting voor 1855 (Premiën enz. voor de visscherii» Art. 30 der wet op de jacht en visscherrj. herij).

vermelf nriï? 'V®"- bedenkin8 van onderscheidene leden vermeld, welke deze verhooging beschouwden als het gevolg van

eene verkeerde opvatting van de bepaling der wet tot regeling van de jacht en visschen,, waarbij het geven van premiën voor het oden van schadelijk gedierte wordt geautoriseerd. Die leden waren van oordeel dat uitreiking dier premiën facultatief, niet imperatief . aai op wordt door de Regeering geantwoord: „De meening van bTTT it u Z°"de de noodzakelijkheid tot verhooging van

ouvattin™ der"h ^™tinSsart^ het gevolg zijn eener verkeerde opvatting de, bepalingen van de wet van <i Maart 1852 (Staatsblad

■ <) is. naai het oordeel der Regeering, niet juist. Art. 30 der gemelde wet betreffende de premiën voor schadelijk gedierte is wel facultatief voor het genot der premiën. voor zooveel aangaat un, die het gedierte hebben gevangen en gedood. maar het is imperatief wat betreft de betaling der premiën aan hen, die premiën

hedtr h" T ! , Va" het 8emeentebestuur de omstandigluden. bij de wet als voorwaarde gesteld, voldoende bewezen acht "

Tegen die opvatting pleit, dunkt mij. tweeërlei grond Vooreerst deze: dat de Regeering een onderscheid maakt, hetwelk niet

—:??? W6t: en te; andere' de geschiedenis ham

ri» dat art 0 SCUSSie- Ti/" Wet geh°Uden' doet duide,ïik s aat bL [ !°°-!S °Pge'Steld en °ewend- aIs het beschreven staat, juist om het uitreiken van premiën facultatief te laten. Ik

meen dus, dat met recht aan de opvatting der Regeerin" kan

worden getwijfeld. Zoo dna uit die opvattin! ee„ bezwaar tegen

wet van 1852 ontleend wordt, dan schijnt mij dit o.eliik zoo

tTidvïk "v eTe 'aai' tege".deZe en andere metten van hetzelfde

Xn\rX ee°e """ ""** Uitlessi"g en di»

J:nh7:id'7e: vl Wet' meendede minister van binnenlandde J' , n .(h'ldehjk genoeg. Aan facultatieve verleening van premien kon met gedacht worden. "«eening lan

ninï J/1 de" Mi?iStf "iet hard Vallen' en dit verschil van meewero Ik86!!"' ? uitoefenen op mijne stemming over dit ont-

De Minte f f f waarheid herstellen en doen uitkomen, e Ministei ioept de letter van het artikel in. Van mijne zijde

ben ik zoo zeer als iemand genegen, om eene wet op zich zelve

') Vergel. Dl. 1851 — 1852, blz. 232.

Sluiten