Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehad: de som, voor dit hoofdstuk gevraagd, is tot dusverre altijd toegestaan; waarom ook nu niet? Ik antwoord: zij die van den Minister opgave der besteding over het vorige jaar verlangden waren, voor zooverre uit hunne woorden gebleken is, hoegenaamd niet ongenegen de gevraagde som voor 1857 toe te staan, maar zij wenschten, dat dezelfde voorwaarde vervuld wierd. die nu ten aanzien aller andere hoofdstukken vervuld is. Men dacht, en ik (enk nog, dat de Minister die mededeeling zonder het minste bezwaar of verwijl kon doen, daar de uitgaven opgeteekend moeten zijn, en een afschrift of uittreksel te maken, het werk is van een of twee uren, zoodat wij, bij eenigen goeden wil. het stuk gisteren hadden kunnen ontvangen.

Indien een lid het verlof der Vergadering gevraagd had om den Munster van Financiën over de uitgaven, in het vorige jaar uit hoofdstuk XII gedaan, te ïnterpelleeren, niemand twijfelt of zoodamg verlof ware toegestaan, en de Minister had. krachtens art 89 der Grondwet, de gevraagde inlichting moeten geven, tenzij het behing en de zekerheid van het Rijk de mededeeling verboden. Dat is de eenige voorwaarde, waarop de Minister zich kon doch in zoodanig geval hoogst waarschijnlijk niet zou beroepen. ' En om welke inlichting is het hier te doen? Het geldt eene verantwoording van penningen. En nu heeft het op mij — van andere leden wil ik niet spreken - een pijnlijken indruk gemaakt, dat een Minister van Financiën een oogenblik aarzelt om eene verantwoording van penningen te doen, die in dit geval bepaaldelijk op dien Munster rust Dat een Minister —ik zeg niet terugdeinst — maar slechts uitstelt, al is het een enkel oogenblik, eene rekenschap waarvoor de zaak rijp is en die hem gevraagd wordt aan te bieden, het is mij onverklaarbaar. Er is mij in deze dis' cussie veel onverklaarbaar, maar dit bovenal.

Derhalve bestaat er bij mij — ik spreek alleen van mij zeiven schoon ik niets hoorde, waaruit blijkt dat de andere leden, die verleden Zaterdag even als ik hebben gestemd, in dat opzicht van een ander gevoelen zijn - derhalve, zeg ik, bestaat er bij mij geen twijfel ten aanzien van het toestaan van de som, bij dit hoofdstuk gevraagd : maar ik wil dat doen na ontvangst, van lelijke inlichtingen, als ten aanzien van den post voor onvoorziene ui gaven van de andere hoofdstukken zijn verstrekt; inlichtingen die het van de Minister van Financiën afhangt onverwijld te geven Hetgeen de leden die denken als ik, tot dusver hebben doen gelden bestond in een billijk verlangen, waaraan van de zijde des Ministers geene redenen overgesteld werden, die hem konden beletten aan dat verlangen te voldoen. Maar men zou, geloof ik verder kunnen gaan en beweren, dat de Minister verantwoordma schuldig is op de vraag, hem in deze Kamer gedaan: men zou met volko-

Sluiten