Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diend. niet dadelijk, in het eerste jaar der verandering, voor alle hoofdstukken te gelijk daarmede gereed; men hoopt het voorbeeld, door een of twee departementen gegeven, in het aanstaande jaar te volgen. Zoo vordert men langzamerhand. De Ministers van 1849 tot 1853 deden uit eigen beweging meer dan verlangd werd en wezen vooral geene speciale vraag om verantwoording af. Thans echter is aan den Minister van Financiën, niet alleen nu eerst, maar reeds in de sectiën bij de voorloopige overweging van het hoofdstuk, de eisch. dat hij rekenschap geve. met aandrang gedaan. De gevallen staan derhalve niet gelijk. De verantwoording, welke de begrooting vergezelt, is nu zoo ver gebracht, dat zij zich ook tot het Xllde hoofdstuk behoort uit te strekken. Nu zij gegeven wordt voor alle hoofdstukken, is uitzondering voor dit hoofdstuk door niets gerechtvaardigd.

Nu vatte de minister van financien vuur. De regeering, verklaarde hij, mocht, zonder van zwakheid te kunnen beschuldigd worden, het verlangde stuk niet overleggen. Hij behoefde het maar uit zijn portefeuille te halen . . . om 32 stemmen voor de wet te winnen! doch hij deed dit niet: „ik wil hier staan als de dienaar der Kroon en het standpunt der Kroon wil ik verdedigen." Zoo handelende, meende de minister bij allen bijval te vinden, die liefde gevoelden voor de grondwet.

Mijnheer de \ oorzitter, ik heb te goeder trouw gedacht dat, na hetgeen Zaterdag was voorgevallen, de Minister van Financiën de verlangde opgave gisteren zou hebben ingezonden. Het antwoord op het \ oorloopig Verslag, gelijk het antwoord dat wij van den Minister in de zitting van Zaterdag mochten erlangen, heb ik beschouwd als ingegeven door humeur, waarvan hij weldra zou terugkeeren. Ik dacht, de Minister, die bij de discussie van verleden Zaterdag gezien heeft, hoeveel althans de helft der Kamer aan de mededeeling hecht, zal, hetzij gisteren, hetzij heden, de opgave hebben ingezonden. Ik bad verwacht, nog vóór een uur, den Minister te hooren zeggen: „ik zie dat de Kamer op de mededeeling prijs stelt; ik heb het \ oorloopig Verslag verkeerd opgevat; ziedaar de gewenschte inlichting. Hetgeen ik het minst van alles verwacht heb, is dat wij, bij gelegenheid van de discussiën over dit hoofdstuk en over die zeer eenvoudige vraag, die aan het Gouvernement was gericht, zouden hooren gewagen van de waardigheid der Kroon en des Gouvernement», van de handhaving der Grondwet, van despotisme en republiek.

^ Mag de Regeering zich laten dwingen ? vraagt de Minister. Neen. de Regeering mag zich niet laten dwingen tot wat ook. dat onrecht, dat tegen het algemeen belang ware. Maar dat men van eene verkeerde, onwettige weigering van inlichting terugkomt, dat

Sluiten