Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht van vier of vijf gulden, dat op het aardappelenmeel drukte, op te heffen ? Neen. De opheffing is gevraagd en aangenomen omdat het aardappelenmeel grondstof is; en niet alleen grondstof voor de papierfabrieken, maar ook voor andere, en, zooals de ministerieele beantwoording van het verslag terecht heeft opgemerkt, voor de aardappelenmeel-fabrieken zelve, voor zooveel deze zich niet uitsluitend met het maken van meel, maar ook met hetgeen van dat meel wordt vervaardigd, bezig houden.

Het was een beschermend recht, dat wij verleden jaar hebben opgeheven. Ik behoef slechts te wijzen op het Voorloopig Verslag. Daar wordt de verklaring van een fabrikant uit Groningen aangehaald, erkennende dat hij door het recht van f 4.50 per 100 pond genoegzaam tegen de mededinging van Duitsche fabrikanten was gewaarborgd. Het was dus een beschermend recht, dat volkomen doel trof, daar het mededinging uitsloot. Dat beschermend recht hebben wij verleden jaar opgeheven : en strookt het nu niet den gang onzer wetgeving, een beschermend recht, eenmaal opgeheven, weder in te voeren, daargelaten de omstandigheid, door den Minister van Financiën herinnerd, namelijk de kort aanstaande herziening van het tarief? Ik denk, de geachte afgevaardigde uit Gouda zal te minder daarop staan, daar hij aldus binnen zeer korten tijd de gelegenheid zal vinden om het beginsel te verdedigen, dat het mijne is: opheffing namelijk, voor altijd, van het beschermend recht.

Een woord nog over het verband van het aardappelenmeel met de aardappelen als voedingsmiddel. De geachte afgevaardigde uit Gouda beweert, dat bij de fabrieken, die hij in bescherming neemt. alleen aardappelen, die tot voeding niet geschikt zijn, worden gebruikt. De geachte afgevaardigde gaat verder dan de rekwestrant uit Gouda en dan eenig deskundige, geloof ik, zou kunnen gaan. De fabrikant zal zich bij voorkeur aardappelen aanschaffen, die tot voeding niet geschikt zijn, want die zijn het goedkoopst, maar wanneer die hoeveelheid niet genoegzaam is, dan grijpt men natuurlijk naar de eetbare aardappelen. En het is onvermijdelijk dat de fabrieken, bij haar groot verbruik van aardappelen, in concurrentie komen met hen, welke die vrucht koopen om haar tot menschelijke voeding rechtstreeks te bestemmen.

Werd het recht niet gehandhaafd, zoo verklaarde de heer de Brauw, dan was geheele vernietiging der industrie nabij.

De laatste woorden van den voorsteller van het amendement nopen mij om de verdenking af te weren, alsof ik een vijand zou zijn van eenigen tak van fabricatie, of een maatregel zou verlangen, ten gevolge waarvan eenige fabriek zou moeten ophouden. Ik ben overtuigd, Mijnheer de Voorzitter, dat, zooals het altijd gaat, de

Sluiten