Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen de amsterdanische financiën waren daardoor deerlijk in de war geraakt. Het adres van den amsterdamschen raad mocht derhalve niet worden opgevat als een verzoek om een gunstbewijs voor Amsterdam alléén; zijne strekking was veel ruimer: een verzoek tot de regeering. de algeheele herziening van het rijksbelastingsysteem ter hand te nemen, teneinde het verbroken evenwicht tusschen de rijks- en de gemeentelijke belastingen te herstellen. De heer Baud meende in eene vroegere rede van den heer Th., waarin een lofspraak was vervat op de gemeentebesturen, die „het beleid en den moed hadden gehad dadelijk het voorbeeld van den algemeenen wetgever te volgen", door den stedelijken accijns op het gemaal af te schaffen, het bewijs te vinden, dat ook de heer Th. vroeger niet zoo angstvallig vasthield aan zijn beginsel: geene afschaffing van belasting, zonder te weten wat men in de plaats zal brengen.

Vooraf een enkel woord aan den geachten spreker uit de hoofdstad (den heer Baud). Hij heeft wederom tegen mij het betoog gebruikt, dat men een argumentum ad hominem noemt. Hij heeft woorden aangehaald, die ik een jaar geleden zou hebben gesproken, en gemeend daarin eene tegenspraak te vinden met het oordeel heden door mij uitgebracht. Ik ben den geachten afgevaardigde erkentelijk, dat hij oude woorden van mij heeft willen herinneren, die ik mij zeiven niet herinnerde en die ik nu heb nagelezen; maar het is niet mogelijk dat hij een oogenblik heeft gedacht daarin eene goedkeuring aan te treffen van eene handelwijze, die ik heden meende te moeten afkeuren, — afschaffing in zake van belasting, zonder te weten wat men in de plaats zal brengen. Ten overvloede bewijst de vereeniging der woorden „moed en beleid", welke de spreker uit mijne rede heeft aangehaald, dat zij niet dan beradene afschaffing op het oog kon hebben.

Ik kome tot den anderen afgevaardigde uit de hoofdstad (den heer Godefroi). Ik neem aan hetgeen die afgevaardigde beweert, dat de raad niet anders handelen kon dan hij heeft gedaan, en dat hij, een adres aan de Regeering richtende, dit verzoek niet in het bijzonder belang zijner gemeente, maar in het algemeen belang heeft ingediend: dat alzoo het beginsel van den raad is. den Minister van Financiën den besten raad te geven bij eene algemeene herziening van het stelsel van belastingen. Ik neem dit te liever aan, omdat ik dan ook den sleutel heb voor de vroegere vier of vijf adressen, die door denzelfden gemeenteraad successievelijk in den loop van een jaar of daaromstreeks aan het Gouvernement zijn aangeboden. Het komt mij voor dat de Minister van Financiën dien Raad erkentelijk moet zijn voor deze pogingen in bet algemeen belang.

Wanneer echter de Minister zegt: „de Kegeering kon niet anders handelen dan het besluit goedkeuren, dat de gemeenteraad tot afschaffing genomen had", moet ik mij veroorlooven van een ander advies te blijven. Het gezegde van den Minister schijnt mij te bewijzen, dat de Regeering den heilzamen waarborg over het hoofd

Sluiten