Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Voorzitter, dat ik. nadat de Commissie van herziening der Grondwet in 1848 haren arbeid ten einde had gebracht, in gesprek was met Koning Willem II. Koning Willem II. met de gratie Hem eigen, maakte de aanmerking, dat de opening der zitting van de Staten-Generaal. die tot nu toe in October plaats had. door het ontwerp terug werd geschoven tot September. „Mijne Ministers, zeide de Koning, zeggen nu reeds dat zij geen tijd genoeg hebben om de begrooting behoorlijk gereed te maken. Hoe zal dat gaan, zoo de heeren reeds in September bijeenkomen V" Ik nam de vrijheid te antwoorden; „Sire. geef weinig tijd en er zal des temeer worden gedaan." De Koning gaf mij gelijk: en hetzelfde zou ook hier, daargelaten de aansporing, welke de Minister van Financiën in deze \ ergadering, bij de dissussiën over de begrooting vooral kan vinden, van toepassing kunnen zijn.

18 December. Bij den post 10° „de uitkeeringen uit de geldmiddelen van 's rijks overzeesche bezittingen" werden in het ontwerp o. m. genoemd „2", als buitengewone bijdragen tot herstel der marine f 800.000 en „10°, de som, over het dienstjaar 1857 beschikbaar zullende blijven als het batig slot van de ontvangsten en uitgaven der volksplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, en die, wanneer het juist bedrag daarvan zal kunnen worden bepaald, nader bij de wet aan de schatkist zal worden toegewezen". De meerderheid van de commissie van rapporteurs, de heeren Thorbecke, van Bosse. en Sloet tot Oldhuis stelden voor, deze twee nummers te vervangen door één nieuw: „2" uit het batig slot van de ontvangsten en uitgaven van de volksplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen over het dienstjaar 1856, en zulks met wijziging van de bestemming aan dat batig saldo in zijn geheel gegeven in art. 1, 12» van de wet van 30 December 1855 (Stbl. no. 210), eene som van f 13,000,000." De wet zou dan tevens worden aangevuld met een nieuw no. 12 „uit het fonds voortspruitende uit koopprijzen van domeinen, eene som van f 1,000,000." De heer Th. erlangde het woord tot toelichting van het amendement.

Ik heb, Mijnheer de \ oorzitter, weinige woorden noodig om de gronden te verklaren, waarop wij dit amendement hebben voorgesteld. Voor het oogenblik stip ik er twee aan.

1. Wij vragen, hetgeen wij voorstellen, in het belang van de waarheid en de volledigheid der begrooting. Begrooting neem ik in den ruimen zin, waarin die ook de raming der middelen tot dekking der uitgaven begrijpt.

Het wezen eener algemeene staatsbegrooting bestaat in een totaal overzicht aller middelen, gelijk aller uitgaven. Alle middelen, waarover men zeker of bijkans zeker weet te zullen kunnen beschikken. moeten hunne plaats evenzeer op de begrooting vinden, als de uitgaven, die men denkt te doen. Hadden wij eene comptabiliteitswet, het is niet twijfelachtig of zij zou dat grondbeginsel

Sluiten