Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukkelijk voorschrijven, zooals het reeds is voorgeschreven ten aanzien van de provinciale en plaatselijke begrootingen. Art. 115 van de provinciale wet zegt: „De begrooting der provinciale inkomsten vermeldt alle de inkomsten der provincie, van welken aard ook"; en art. 204 der gemeentewet bekrachtigt hetzelfde beginsel: „De begrooting der inkomsten vermeldt alle ontvangsten der gemeente, van welken aard ook, en, zooveel mogelijk, het bedrag, waarop elke post in het bijzonder wordt geraamd." Zoodanig artikel nu zal, gelooven wij, ook moeten voorkomen in de wet tot regeling der rijks-comptabiliteit, waarop wij wachten en waarmede de Regeering zich bezig houdt.

De kunstige, verkeerde voorspiegeling, dat onze begrooting met een overschot van slechts eenige duizenden gulden sluit, terwijl er inderdaad een overschot van vele millioenen bestaat, moet ophouden. Die voorstelling kon grond hebben, zoo dat slot verkregen ware zonder dat men onder de middelen een penning uit de Indische baten opnam. Doch men neemt aaarvan 15 a 16 millioen onder de middelen op, en mag men nu daarbij de overige 13 a 14 millioen verzaken ? Dit gaat, onzes inziens, niet aan.

2. de omstandigheden, waarin en op grond waarvan men sedert 1843 141/2 millioen voor rekening der Oost-Indische baten van het volgend jaar in de begrooting uittrok, hebben opgehouden.

De verkregene baten waren verteerd; om de begrooting te doen sluiten moest men op toekomstige baten rekenen. Wij behoeven die toevlucht niet meer.

Wanneer men tot dusver de Oost-Indische baten noemde, hoorde men van meer dan ééne zijde: „vergeet toch de onzekerheid dier baten niet". Wat doet men intusschen? Terwijl men die baten voor onzeker houdt, brengt men evenwel die, welke men in een volgend jaar hoopt te ontvangen, op de begrooting. Wij stellen voor, slechts uit te trekken wat aanwezig is, en een zeker overschot in de plaats te stellen van een onzekere ontvangst.

Doet men dat, dan vervalt alle twist over het meer of minder dat men uit de Oost-Indische baten op de begrooting mag brengen.

Meermalen is de vraag geopperd: In hoeverre mag men op de Oost-Indische baten rekenen ? Zijn ze wel anders dan als toevallige baten te beschouwen? Ook die vraag vervalt, wanneer men den weg bewandelt dien wij aanwijzen.

Tot dusverre werden de Oost-Indische baten bij gedeelten, als het ware stuksgewijze, toegeworpen, en men werd verrast — de Minister van Financiën misschien het eerst, door de mededeeling van zijn ambtgenoot voor de Koloniën, — door het bericht, dat er weder uit de opbrengst van Indië eenige millioenen. drie, vier. zes, beschikbaar waren om tot amortisatie te worden besteed. Thans zal, wanneer de wetgevende macht de verandering, die wij nood-

Sluiten