Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk achten, goedkeurt, de Minister van Financiën zoowel als de Vertegenwoordiging terstond bij den aanvang van het jaar een volledig overzicht hebben. I)e overgang van de koloniale baten in de schatkist, de besteding van die baten tot amortisatie, zal. bij aanneming van ons stelsel, worden bespoedigd.

De Minister van Financiën heeft voor eenige dagen gemeend opmerkzaam te moeten maken op het gevaar, waaraan men zich zou blootstellen, indien men niet de koloniale opbrengsten, hier te lande beschikbaar en op de begrooting uit te trekken, steeds tot een fixum bepaalde. In de zitting van 13 December jl. zeide de Minister, na te hebben erkend dat hij, eerst met ons stelsel ingenomen, terug was gekeerd: „Indien men zeide : over 1857 zullen alleen opgenomen worden de bijdragen uit 1856 voorhanden, dan zou daarbij moeten bepaald worden, dat die som overigens nooit te boven zou moeten gaan 141/2 millioen, waardoor men zich dan ook zou binden om geen buitengewone bijdrage uit de Oost-Indische baten tot herstel der marine in de gewone wet der middelen op te nemen. Maar wanneer men het geheel vrijlaat, dan geloof ik, dat men den gevaarlijksten weg volgt, dien men bewandelen kan. Om slechts een voorbeeld te noemen: dan zou men in een jaar, dat die bijdrage 28 millioen bedraagt, die 28 millioen onder de middelen van 1857 moeten aanwijzen. Ik geloof dat dit denkbeeld niet voor uitvoering vatbaar is, tenzij men een fixum bepale, boven hetwelk niet mag gegaan worden."

Een betoog, Mijnheer de Voorzitter, dat ik toen niet gevat heb en nog niet begrijp. Waarom niet, zoo er is een batig slot, ten behoeve van het moederland beschikbaar, van 28 millioen, waarom niet die som op de begrooting uitgetrokken, wanneer ik op diezelfde begrooting de bestemming aanwijs? Ik weet wel, de Minister wordt bestuurd door het denkbeeld, of laat ik liever zeggen door de verdenking: „wanneer wij eene zoo groote som, die daar ligt en dus zonder twijfel op de begrooting behoort, daar zij in het volgend jaar besteed moet worden, wanneer wij, — zeg ik — eene zoo groote som op de begrooting vertoonen, dan loopen wij gevaar misbruik te gaan maken; wij komen dan in verzoeking, daarover tot bestrijding onzer gewone behoeften te beschikken." De geachte spreker uit Alkmaar (de heer Rochussen) is verder gegaan. Hij wil voor schulddelging niets op de begrooting gesteld zien, boven het cijfer der verplichte amortisatie.

Ik onderwerp tweeërlei opmerking.

Vooreerst: het stelsel, de koloniale baten tot bestrijding der gewone behoeften van den Staat en tot afschaffing van lasten te besteden, is dat onzer tegenstanders. Wat zeggen onze tegenstanders ? Zij zeggen: zooveel als aan rente, eene gewone staatsuitgave, bespaard wordt, mag worden besteed tot vermindering van belas-

Sluiten