is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alles besteed tot amortisatie. Waarom dan niet, zooals wij voorstellen, de (jeheele beschikbare opbrengst uitgetrokken en daar tegenover de bestemming.

De geachte spreker uit Alkmaar (de heer Rochussen), voorstander van het stelsel dat wij beschermen, en die zoowel vroeger als nu met de gewone juistheid van zijn geest de redenen, die daarvoor pleiten, heeft doen gelden, wil evenwel op de begrooting niets voor amortisatie brengen, dan hetgeen voor verplichte amortisatie dienen moet. Intusschen blijkt nu. dat wij sedert eenige jaren zoo veel meer op de begrooting hebben gebracht dan voor verplichte amortisatie noodig was. Ik vraag den geachten spreker, die niet tegen onverplichte amortisatie is, welke reden er kunne bestaan, om, hetgeen men daartoe bestemt, op de begrooting niet uit te trekken.

Mij dunkt, hiervan hangt alles af. dat men eene bestemming geve bij diezelfde begrooting, waarop men de middelen uittrekt die men beschikbaar heeft. En dat is ook het eenig middel om te keeren hetgeen de Minister van Financiën, en ik evenzeer als hij, wenscht te voorkomen, dat men ga vertrouwen op de Oost-Indische baten, om hetzij de uitgaven te vermeerderen, hetzij belastingen af te schaffen, of in gewone behoeften zonder belasting te voorzien. Het zou lijnrecht in strijd zijn met hetgeen ik altijd en niet alleen op dit punt heb voorgestaan, dat men met eigene krachten zijne taak moet vervullen en niet op vreemde hulp bouwen. Wij moeten trachten — en het blijkt dat wij het doel reeds nabij zijn — onze gewone uitgaven zonder Oost-Indischen onderstand te bestrijden. Dat moet de regel blijven; doch, zal dat verzekerd worden door hetgeen wij tot dusverre hebben gedaan, onder de middelen brengende uit den oogst van een volgend jaar. behalve de f 9,800,000, nog f 4,700,000, tot dekking onzer begrooting van uitgaven ? Neen. Dat is niets anders dan een stelsel fan misleiding, gelijk de rijke man zijn rijkdom ontveinst. Onze vraag daarentegen is dat men bij de inkomsten zoowel als bij de uitgaven van den Staat, oprechtheid. helderheid en volledigheid van overzicht, zekerheid, vastheid voor onzekerheid, duisternis en verborgenheid in de plaats stelle.

Het amendement ondervond van verschillende zijden bestrijding. Het kwam te onverwacht, meende de heer van Rappard; men zou het beginsel beter bij de behandeling van de toegezegde comptabiliteitswetten beslissen. De heer Rochussen, ofschoon in beginsel vóór het amendement, zou toch daartegen stemmen, omdat de tijd waarop en de voim. waarin het amendement werd ingediend, hem weinig geschikt voorkwamen. De weinige uren. die de kamer nog restten, eer men huiswaarts zoude keeren, schenen hem te kort, om nog een „allerbelangrijkst beginsel" tot beslissing te brengen. Het ging niet aan, verklaarde ten slotte de heer Hoffman, om, terwijl de grondwet voorschreef, dat de wet de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen moest regelen, thans „bij