Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd in de conclusie met geen enkel woord gewaagd van den algemeenen indruk, dien het reglement zoowel hier, als in Indië had teweeggebracht? Daarenboven vreesde hij, dat aanneming deivoorgestelde conclusie slechts tot onbepaald uitstel der zaak zou kunnen leiden. Hij stelde mitsdien voor, den voorzitter te verzoeken, de kamer bijeen te roepen, zoodra nadere schriftelijke inlichtingen van de regeering zouden zijn ontvangen.

Bij afwezigheid van den geachten rapporteur ik word

verplicht dadelijk na het uitspreken van die woorden ze wederom in te trekken; de geachte rapporteur is aanwezig, maar eerst, nadat de Minister gesproken had, nadat de motie gedaan was door den geachten afgevaardigde uit Zwolle, in de zaal gekomen. Ik zal dus met zijne toestemming de twee woorden zeggen, die ik wensch aan de Vergadering te onderwerpen. Die twee woorden, Mijnheer de Voorzitter, wensch ik te doen strekken om het geachte lid uit Zwolle met onze conclusie te verzoenen.

Het eerste bezwaar is: „de conclusie had meer behooren in te houden." De Commissie heeft gemeend, Mijnheer de Voorzitter, in dit rapport zich tot het leggen van een eersten grond voor het onderzoek te moeten bepalen, en niet verder te mogen gaan alvorens de Minister in de gelegenheid ware gesteld om zich te verantwoorden.

Ten andere: „De conclusie zou tot uitstel kunnen leiden." Dit heeft de Commissie niet voorzien en niet gedacht. De Commissie was overtuigd, ook vóórdat de Minister had gesproken, dat hij de behoefte moest gevoelen aan die verantwoording, welke het rapport vraagt. De Minister heeft zich daartoe bereid verklaard: hij gevoelt die behoefte en het zal van hem afhangen daaraan zoo spoedig mogelijk te voldoen. Hoe spoediger hoe liever. De zaak is van dat gewicht, voorziening is zoo dringend noodzakelijk, dat in mijn oog het uitstel nu reeds te lang heeft geduurd.

De heer van der Veen had een voorstel ingediend betrekkelijk het zwolsche diep. Hij verlangde, dat de kamer daarover een door hem ontworpen adres aan den koning zoude zenden. De vraag rees, of deze vorm wel overeenkomstig het reglement van orde was. Moest het voorstel niet bloot strekken tot benoeming van eene commissie voor de opstelling van een adres?

Deze discussie heeft gewis aan menigeen onzer herinnerd hetgeen de Historia juris Romani van de acties uit de wet der XII Tafelen verhaalt.

Sluiten