Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelling, dat de kamer, door in eene beoordeeling te willen treden van hetgeen al of niet gewenscht was, hare bevoegdheid te buiten ging. Een koninklijk besluit, betoogde hij, ter uitvoering van eene wet, waarbij de regels en de voorwaarden zijn omschreven, van welke de uitvoering afhankelijk is, mocht in de kamer aan geene verdere censuur worden onderworpen, dan om te onderzoeken of niet de grondwet of de wet daardoor waren geschonden. Over het algemeen nut der verordening, zooals die in overeenstemming met artikel 110 van het reg. regl. was opgesteld, had de wetgever reeds in 1834 beslist; het ging nu niet aan. de kamer zich thans daarover een nader oordeel te laten aanmatigen.

De commissie stelde als conclusie van haar verslag voor, een afschrift van het verslag aan den minister van koloniën te zenden, „met uitdrukking van de overtuiging der kamer, dat het reglement op de drukwerken in Indië eene herziening behoort te ondergaan." De heer Th. was lid der commissie.

Ik gevoel de verplichting' om mij te beperken, en zal die betrachten, ofschoon er gelegenheden geweest zijn waarin ik aan die verplichting met minder moeite, dan nu het geval zal wezen, heb voldaan. Het moet nu inzonderheid voor mij gelden, dat men kort is in die mate als men meer heeft te zeggen.

Ik gevoel de verplichting om mij te beperken, evenwel niet om mij te beperken op de wijze zooals de geachte afgevaardigde uit de hoofdstad (de heer Godefroi) zou verlangen. Die geachte vertegenwoordiger — en ik meen mij niet te vergissen wanneer ik hem die meening toeschrijf, welke ik uit zijnen mond heb opgeteekend — oordeelde in zijne rede van eergisteren, dat men te ver ging indien men het stelsel van repressie, in dit reglement vervat, aan eene censuur der Kamer onderwierp. Volgens hem had de Minister den strijd daarover niet behoeven te aanvaarden. Die beperking, Mijnheer de Voorzitter, laat ik mij niet welgevallen; zij is, meen ik, niet grondwettig. Het geldt hier de uitvoering eener wet, en dat de uitvoering eener wet staat onder de controle van de StatenGeneraal, is, geloof ik, niet betwistbaar. Maar al gold het niet rechtstreeks de uitvoering eener wet. de Minister is in het algemeen voor al zijne daden verantwoordelijk. Het is dus naar mijn inzien een slechte, een inconstitutioneele raad, dien de vertegenwoordiger aan den Minister heeft gegeven; en het zou den Minister niet baten indien hij dien wilde opvolgen.

Ik denk, Mijnheer de Voorzitter, ééne vraag te behandelen, maar zal mij vooraf een paar algemeene opmerkingen veroorloven.

Wanneer men soms een vermoeden over de deugdelijkheid eener zaak afleidt uit de middelen die gebezigd worden om haar te bestrijden, ik geloof men vergist zich zeldzaam. Ik geloof, ik zou de deugdzaamheid van de zaak die ik voorsta op dien weg kunnen doen blijken. Ik zou de wendingen, de uitvluchten kunnen herinneren, die men te baat heeft genomen, en die ik niet toeschrijf

Sluiten