Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan kwade bedoeling, die ik liever aan misverstand, aan de verlegenheid waarin men door tegenoverstaande redenen kan zijn gebracht, of aan andere oorzaken toeschrijf, maar wendingen, zijdelingsche bewegingen, die altoos niet pleiten voor de sterkte van de zaak die men verdedigt. Ik zal dus voorbijgaan, dat men aan hen die mijne meening voorstaan, bijzondere liefde voor een censuur heeft toegedicht; ook dat men, zooals de geachte vertegenwoordiger uit de hoofdstad, wanneer regeling door de wet werd verlangd, dit als een verlangen naai' uniforme regeling doet voorkomen; zoodat geheel zijn betoog van eergisteren en van hedenmorgen, voor zoover het daarop gegrond was, tegen vijanden is gericht, die ik hier niet heb zien verschijnen.

Eén punt evenwel moet ik aanstippen, omdat daarin het geheele reglement en het geheele betoog tot verdediging daarvan is betrokken.

Dat betoog van den Minister en van vele leden der Kamer rust in de eerste plaats hierop: „Het regeeringsreglement vergunt niet in het algemeen vrijheid van drukpers; vrijheid van drukpers met een stelsel van repressie, met regeling van de verantwoordelijkheid, is voorgesteld in 1854, maar met groote meerderheid afgestemd. Het regeeringsreglenient verlangt dus geen vrijheid dan ten aanzien van Nederlandsche drukwerken." Nu is bij de Commissie twijfel gerezen over de toepasselijkheid van sommige bepalingen van het reglement op Nederlandsche drukwerken, en ik geloof dat, wanneer men het reglement leest, die twijfel nog even gegrond is als in den beginne. De Minister verklaart: die twijfel is niet juist: hij heeft niet kunnen zeggen, die twijfel is niet gegrond, gegrond als die is op den tekst zeiven van het reglement. De Minister voegt er bij: „over het algemeen zijn de artt. 12 tot 20 op Nederlandsche drukwerken niet toepasselijk." Art. 110 der wet, die het regeeringsreglenient vaststelt, onderscheidt toezicht, belemmering aan den éénen, en onbelemmerde toelating, vrijheid aan den anderen kant. Dat onderscheid bestaat volgens het drukpersreglement uitsluitend hierin, dat in het eene geval de artt. 12 tot 20 gelden, terwijl zij in het andere geval niet gelden. Nu verzoek ik de leden deiVergadering een oogenblik inzage te nemen van die artikelen. Die inzage zal hun kunnen leeren waarop het verschil tusschen belemmering en vrijheid nederkomt. De artt. 12 tot 20 behelzen vooreerst een paar voorschriften, die mijns inziens ook voor de Nederlandsche drukwerken in Indië behoorden te gelden. Het zijn die van art. 12 eerste alinea en van de eerste alinea van art. 15. Bij andere artikelen wordt indiening van exemplaren vóór de uitgifte en onderteekening van artikelen in dagbladen of tijdschriften bevolen. Maar behalve die verplichting, op Nederlandsche drukwerken niet toepasselijk, wat is er meer hetgeen de vrijheid onderscheidt van de belemmering ? De Minister heeft met zekeren ophef verklaard,

Sluiten