Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangaan, schoon geenszins alh'ii geroepen zijn noch geroepen kunnen zijn om onmiddellijk tot het bestel der regeering mede te werken. Is het opleggen van stilzwijgen het middel 0111 de openbare orde, de vastheid der maatschappij en het zedelijk gezag der Regeering te versterken ? Dit herinnert mij. Mijnheer de Voorzitter, een verschijnsel, waarvan ik in den aanvang gewaagde. Er is geen land, waar men zoo veel regeeringsgeheimen kent als Indië. Van waar? Omdat men daar leeft onder dwang en verbod, en de Regeering dus door achterdochtige opposanten omringd is. Nergens blijft minder geheim, dan waar men op den vrijen wil, op de genegene medewerking der menschen niet rekenen kan; nergens meer onwaarheid dan waar men de waarheid bedekt. Wordt men, wat de voorbereiding der regeerings werkzaamheden betreft, in Nederland, ondanks de hier heerschende publiciteit, gewaar wat men in Indië, alvorens het rijp is, te weten komt?

Ik moet, Mijnheer de Voorzitter, na zoo lang gesproken te hebben, mij bepalen tot het vermelden mijner conclusie. Mij dunkt, eene wet is noodzakelijk om het doel van art. 110 te bereiken. Ik acht over het algemeen bij de werking der drukpers de ontwikkeling der gansche maatschappij in die mate betrokken, dat de rechten en plichten, aan die werking verbonden, regeling van wege de algemeene wetgevende macht des Rijks vorderen. Men behoeft eene verordening, die tevens hier en in Indië verbindt.

Vooreerst om de verantwoordelijkheid te doen werken van die schrijvers, drukkers en uitgevers in Nederland, welke eene Indische verordening of de Indische rechter niet bereikt.

Ten andere tot zekerstelling wederkeerig van de rechten en belangen van de Nederlandsche schrijvers en van den Nederlandschen boekhandel, op welke dit reglement zeer gevoelig en krenkend terugwerkt.

2 Mei. De discussiën, reeds te lang gerekt, gaven weinig aanleiding tot eene uitvoerige repliek. Alleen de rede van den minister van koloniën scheen nog een bepaald antwoord noodig te maken. Men kon, had de minister gezegd, zich niet van de zaak afmaken met de bewering, dat het reglement den geheelen boekhandel zou treffen; welk bewijs kon daarvan worden bijgebracht? De minister had juist vernomen, dat eenige boekhandelaren in het rijk kisten vol met boeken naar Indië hadden verzonden; nu zou dan toch moeten worden afgewacht, om te weten, of die boeken in Indië geweigerd werden. Ook bestreed de minister de meening, dat men op Java zoude lachen om liet gevaar, dat vrijheid van drukpers daar zoude opleveren voor de rust en openbare orde. Reeds onder den gouverneur generaal de Eerens had dan toch het hooggerechtshof als zijn gevoelen geuit, dat het uitgeven van periodieke nieuwsbladen zonder voorafgaand verlof der regeering in geene kolonie, ook niet in nederlandsch Indië. kon worden vrijgelaten. En de staatsraad Wichers had zich van datzelfde gevoelen een aanhanger betoond;

Sluiten