Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog eens af te leggen. De geachte spreker verlangt, en het is niet de eerste reis dat hij dergelijk verlangen aan den dag legt, dat niet zoozeer het onderwerp, maar zijne rede het thema zij van de discussie. Ware zijne beweging niet zoo uitermate wijd en ontwijkend, ik zou soms meer genegen zijn hem te volgen.

De spreker heeft een paai' punten mijner rede opgevat. Op de vraag: of de uitstekend strenge drukperswetten in Frankrijk, Pruisen, Oostenrijk, wanorde en opstand hadden verhoed, antwoordde hij: schaf dan alle wetten af. Behoef ik den spreker te herinneren, dat in die voorbeelden teruggewezen werd op de landen, waar aan de natuurlijke vrijheid van mededeeling een wettige weg gelaten was: en die te midden van den storm, rustig zijn gebleven en hunne instellingen rustig hervormd hebben?

Ik had in de bestanddeelen onzer Europeesch-Indische maatschappij eene overhelling tot groote bezadigdheid gezien. De spreker antwoordt met het voorbeeld van hen, die bij ons vóór 1795, en die in Frankrijk en in andere landen tegen hun eigen belang gehandeld hadden, wanneer zij tot revolutie medewerkten. Doch wanneer men zegt dat bij den kleinen hoop van ambtenaren, industriëelen en handelaren op Java geen belang bestaat om de oproervaan eener brochure te volgen, wil dit zeggen, dat nimmer, in geen westelijken Staat, de lang onderdrukte behoefte aan hervorming ook niet hen ten laatste zal kunnen overmeesteren, die bij iedere omkeering het meest wagen en het meest te verliezen hebben ?

Waarom echter zijn amendement op de conclusie der Commissie niet bestreden?

Ik heb het niet bestreden, omdat, hij neme het niet kwalijk, het amendement, van zijne rede afgezonderd, mij geen amendement scheen. Het amendement scheen mij niets te veranderen. Gesteld dat die laatste woorden wegvielen, wat bleef overig? Het besluit zou blijven, dat de Kamer aan den Minister verzond : vooreerst de vier punten van bezwaar waarover de Commissie eenstemmig was; vervolgens al de redenen in het verslag tegen het drukpersreglement aangevoerd.

De Minister is met zekere drift opgekomen tegen de bewering van mijne zijde, dat het reglement gericht was tegen den geheelen boekhandel. Ik had gezegd: het is niet eene verordening tegen de drukpers alleen, zooals men in andere landen kent; het is eene verordening, die den geheelen boekhandel treft. De Minister vraagt: waar is het bewijs? Het bewijs ligt in het reglement zelf, waarvan de hoofdstrekking is, den boekhandel, verkoop of verspreiding, te belemmeren.

De Minister zegt: „Gij spiegelt u bezwaren voor ten gevolge van de uitvoering van het reglement; tot dusverre zijn er geene

Sluiten