Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volvoeren van de werkzaamheden buiten den vastgestelden tijd, was voorgeschreven. In liet tweede lid van het oorspronkelijk voorstel was deze bevoegdheid aan een termijn van twee jaren gebonden. Na dien tijd zou dan bij de wet moeten worden voorzien. In verband met een amendement van den heer ter Bruggen Hugenholtz, waarbij de herziening der geheelo wet binnen twee jaren werd voorge• schreven, stelde de minister voor, het laatste lid van artikel 5 te doen vervallen. De heer van Nispen van Sevenaer verlangde het tweede lid te behouden.

Ik ben van het gevoelen van den vorigen spreker. Ik zou wenschen in de wet zelve de uitdrukking te behouden van het beginsel, dat eene regeling, zooals zij voorloopig, volgens art. 5, kan geschieden bij Koninklijk besluit, vervangen moet worden door de wet, binnen een bepaalden termijn. De Minister erkent zelf, dat hetgeen, volgens art. 5, zou "worden overgelaten aan Koninklijke besluiten, regeling bij de wet behoeft. Men kent op dit oogenblik nog niet genoegzaam, welke regeling met betrekking tot eene nieuwe wijze van fabricatie van bieren wordt vereischt: daarom wordt voorgesteld — en ik keur dit goed — dat de proef gedurende twee jaren op zijn hoogst dooi' administratieve verordeningen genomen worde. Maar dan dient de wet opnieuw in haar recht te treden; dan dient te geschieden door de wet, hetgeen alleen bij wijze van tijdelijke uitzondering aan een Koninklijk besluit is overgelaten. Dat beginsel zou men prijs geven, wanneer de tweede alinea van art. 5 verviel.

Ik ben over het algemeen geen vriend van dergelijke uitzonderingen. waarbij een Koninklijk besluit in de plaats van de wet wordt gesteld; maar zoo in bijzondere gevallen voor eene proefneming als hier reden bestaat, dan dient die proef niet langer te worden verlengd dan noodig is om genoegzaam licht voor eene algemeene en vaste regeling te verkrijgen.

De minister vond in het denkbeeld van den heer Th. een blijk van wantrouwen verscholen.

De Minister heeft ongelijk, wanneer hij in mijn betoog eenig blijk van wantrouwen vindt. Wanneer mijne afkeuring uit wantrouwen voortspruit, zal ik het zelf wel verklaren; ik heb daartoe vrijmoedigheid genoeg. Mijn tegenwoordig verlangen heeft eenen anderen grond. Wij hebben in onderscheidene belastingwetten, vooral in onze accijns wetten, eene menigte dergelijke bepalingen, waarbij de taak der wetgevende macht opgedragen is aan het Bestuur. Ik wensch niet dat wij die feil voortzetten: ik wensch dat. wanneer bij uitzondering een maatregel, gelijk die van art. 5, wordt aangenomen, de wet zelve dien als een maatregel van' uitzondering en voorbereiding kenmerke. Mijn betoog is geheel

Sluiten