Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onafhankelijk van eene algemeene herziening dezer wet. Ik wensch, dat deze wet het gebod inhoude, dat 'tgeen bij art. 5 voor twee jaren aan de uitvoerende macht wordt overgelaten iets waartegen ik mij niet verzet — vóór den afloop van die twee jaren door de wet geschiede. Dit beginsel wensch ik in de wet te vestigen; dit is goed voor het vervolg en het is noodig van wege de voorbijzage en terzijdestelling van dat beginsel in zoo menige wet van vroegeren tijd, die nog in werking is.

Overeenkomst met Hannover lot wering van den sluikhandel. Het bij de wet goedgekeurde traktaat, in 1851 met Pruisen gesloten, behelsde, in artikel 17, de bepaling: „II sera loisible a chacun des Etats qui font ou feront partie de 1'association douanière allemande d'adhérer aux dispositions de la présente convention." Op grond van dat voorschrift had onze regeering met Hannover eene overeenkomst gesloten, zonder daarop de goedkeuring der wetgevende macht te vragen. Van verschillende kanten werd op die handelwijze aanmerking gemaakt. Aangezien het traktaat wettelijke rechten betrof, zeide de heer van Wintershoven, moest het, volgens artikel 57 der grondwet, bij de wet worden bekrachtigd. Tegenover hem stond de heer Godefroi, die van oordeel was, dat in artikel 17 van het traktaat met Pruisen de goedkeuring reeds opgesloten lag. Het was er mee, meende hij, als met artikel 34 van het door ons land met het Tolverbond in 1852 gesloten traktaat. „II sera loisible," stond daar, „a tout Etat de 1'AUemagne qui fera partie du Zollverein, d'adhérer au présent traité." En krachtens dat voorschrift was Hannover ook tot dat traktaat toegetreden, zonder dat de wetgever hier te lande daarin gekend was. De heer van der Linden wilde onderscheiden tusschen eenvoudige adhaesie en het sluiten van een nieuw traktaat. Nu in dit geval de vorm van een nieuw traktaat was gekozen, had aan artikel 57 der grondwet de hand moeten zijn gehouden. Ook de minister van buitenlandsche zaken meende, dat van goedkeuring door de wetgevende macht geene sprake kon wezen. Hannover had een recht tot toetreden, en hoe zou men dan moeten doen, indien de wetgevende macht hare goedkeuring eens aan de toetreding onthield?

De commissie, in wier handen het traktaat met Hannover was gesteld, was van oordeel, dat goedkeuring van het traktaat onnoodig was, en stelde in haar conclusie niet anders voor, dan „een afschrift van het verslag te zenden aan den minister van buitenlandsche zaken."

Ik neem het woord gaarne aan, dat gij, Mijnheer de Voorzitter, zoo goed zijt mij ongevraagd te willen geven. Het punt in behandeling is inderdaad van belang en uitlokkend voor den deelnemenden hoorder om zijn gevoelen daarover te zeggen. Voor mij te meer, daar ik mij tot dusverre noch met het betoog van hen, die de conclusie der Commissie hebben bestreden, noch met het betoog van den Minister geheel kan vereenigen.

Ik kan mij niet vereenigen met het betoog van den geachten

Sluiten