Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijke; maar ik voor mij wensch dat do Grondwet do grootst mogelijke werking erlange. Ik begeer niet dat dit traktaat, eenmaal door den Koning geratificeerd, nu nog aan de goedkeuring deiStat en-Generaal worde onderworpen: maar ik wenschte dat de Vergadering zich kon vereenigen met eene conclusie, waaruit bleek dat zij, wanneer een dergelijk geval andermaal voorkwam, de goedkeuring dor Staten-Generaal opnieuw noodig zou oordeelen.

Wanneer de conclusie van de Commissie mocht worden goedgekeurd, zal men, geloof ik, in het vervolg voorzichtiger wezen dan men bij het traktaat met Pruisen geweest is. Ik geloof niet, evenmin als de Minister van Buitenlandsche Zaken, dat de Kamer onvoorzichtig is geweest in 1851; maar ik acht het waarschijnlijk, dat, zoo men toen had kunnen voorzien hetgeen thans is gebeurd, zoo men had ondersteld dat de Regeering met opzicht tot uitvoe1 ing \ an een voorschrift der Grondwet liever zoo min mot/elijk dan zooveel mogelijk wilde doen, men bij art. 17 op zijne hoede zou zijn geweest.

De moreele verbintenis der Staten-Generaal om zoodanig traktaat, hetgeen, als dat met Hannover, een uitvloeisel is van een eenmaal aangenomen beginsel, goed te keuren, houde ik voor niet twijfelachtig. Ik acht de moreele verbintenis van de Staten-Generaal even hoog en sterk als die van het Gouvernement, om de aanneming eener adhaesie van Hannover aan het traktaat met Pruisen niet te ontwijken. Evenmin als het Gouvernement de adhaesie van Hannover, dat zich beroept op ons traktaat met Pruisen, kan en zal afwijzen, evenmin kan en zal de wetgevende macht hare goedkeuring weigeren. Maar al bestaat die zekerheid, wordt daardoor het Gouvernement niet ontheven van de verplichting, om eene bepaling, die eene aan andere Staten geschonkene algemeene be\ oegdheid eerst realiseert of verwezenlijkt, aan de goedkeuring der Staten-Generaal voor te leggen.

\Y anneer ik dus, Mijnheer de Voorzitter, mocht stemmen tegen de conclusie der Commissie, dan zal het niet zijn om te verlangen dat de zaak van dit traktaat niet als afgedaan worde beschouwd, maar dan zal het zijn om door eene nieuwe commissie eene conclusie te zien voorstellen, die het beginsel, hetwelk ik voorsta, bevestige voor het vervolg.

Waarom, zoo vroeg de heer van Rappard, had de regeering van 1851 artikel 1/ van het traktaat niet Pruisen aan de goedkeuring van de wetgevende macht onderworpen, indien toch ondanks dat artikel telkens bij elke toetreding opnieuw de goedkeuring der wetgevende macht moest worden gevraagd?

De vorige spreker eindigde met de vraag: waarom is in 1851 art. 17 aan de goedkeuring der Staten-Generaal onderworpen? Thorbecke. Parlementaire Redevoeringen, 1856—1857. 3(j

Sluiten