Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer de Voorzitter, ik moet een stellig antwoord schuldig blijven; ik weet het niet; doch dat is ook de vraag niet. waarop het nu aankomt. Ontslaat de goedkeuring van dat artikel, door de Staten-Generaal verleend, van den plicht om op de adhaesie van Hannover hunne goedkeuring in te roepen? Ziedaar de vraag, van welker beantwoording ons oordeel moet afhangen.

Daarbij wil ik vooropstellen hetgeen ik reeds meen te hebben gezegd en dit zelfs nog versterken. Ik wil hoegenaamd geen verwijt doen aan dit Gouvernement. Ik begrijp volkomen dat men de zaak anders kan inzien, ofschoon ik wenschte dat dit het geval niet ware geweest. Verschil van inzicht leidt evenwel niet tot een recht om te berispen. Ik geloof, dat het Gouvernement wel zou hebben gedaan, het traktaat met Hannover aan onze goedkeuring te onderwerpen ; evenwel bedoel ik volstrekt niet terug te komen oj> hetgeen gedaan is; mijn doel is enkel, een beginsel voor het vervolg te handhaven.

De geachte spreker uit de hoofdstad (de heer Godefroi) blijft op zijne vergelijking met het traktaat met het Tolverbond staan. Hij heeft ons herhaaldelijk verzekerd, dat de gevallen volkomen gelijkstaan. Ik wenschte dat ik zoo gelukkig ware geweest dat in te zien, maar mij dunkt nog. de gevallen staan niet gelijk. Dat traktaat werd gesloten met het geheele Tolverbond. Pruisen was wel de onderhandelaar, maar namens de Staten, die het Tolverbond uitmaakten. Art. 34 van dat traktaat, bepalende dat de Staten, die in het vervolg leden van het Tolverbond zullen zijn, aan de overeenkomst zullen kunnen adhaereeren, schijnt mij niets te zeggen, dan hetgeen, zonder dat artikel, in het traktaat met het Verbond reeds ligt opgesloten. Doch in art. 17 van het traktaat met Pruisen is iets anders bepaald dan hetgeen de overeenkomst rechtstreeks medebracht, en dat. zoo men er op zou kunnen rekenen, afzonderlijk bepaald moest worden.

Stel echter, de gelijkheid zij volkomen; wat doet het ter zake? Heeft men toen verzuimd een grondwettig beginsel te doen gelden, dan zou het meer dan tijd wezen, zich te bekeeren, en niet te volharden in eene feil, omdat die vroeger ware begaan.

Nog op een ander punt verschil ik van het geachte lid uit de hoofdstad. Hij gevoelt of erkent niet, dat er eene moreele verplichting op de wetgevende macht kan rusten. Dat doet mij leed. Maar ik blijf aan die verbintenis hechten. Indien het traktaat met Hannover aan ons onderworpen ware en ik ware overtuigd geweest, dat het ons een groot nadeel berokkende, ik zou mij desniettemin verplicht hebben gerekend tot goedkeuring. En ik geloof, dat de overige leden der Kamer, misschien met uitzondering van den geachten afgevaardigde, mijn weg zouden hebben gevolgd. Do getrouwheid, waarmede wij het Gouvernement volkenrechtelijke verbintenissen

Sluiten