Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van subsidiaire gevangenisstraf verkiest; dat is een bijzonder punt, later te behandelen; hetgeen ik thans bedoel zijn de principale gevangenisstraffen naast de boeten, tot welke laatste de wet van 1852 zich bepaalt.

In de nieuwere jachtwetten van andere landen is doorgaans gevangenisstraf niet meer te vinden, tenzij als subsidiair in de gevallen, waarin de boete niet is voldaan. En waar men die nog vindt, zooals in de Fransche wet voor sommige zwaardere delikten, daar is zij facultatief; hier daarentegen, in het ontwerp dat vóór ons ligt, wordt eene hooge, zware gevangenisstraf als eenige straf ingevoerd voor gevallen, waarin ik nu niet zal treden, daar zij later, bij de artikelen, aan de orde zullen komen.

Ik had, Mijnheer de Voorzitter, iets geheel anders verwacht; ik had verlichting van straffen verwacht; die ligt. meende ik, in de natuurlijke richting eener herziening, zooals ik mij die voorstelde.

Ik wensch niets te kort te doen aan de verdiensten, die het ontwerp hebben kan; ik wensch geen hard woord te bezigen, te minder daar de Minister het werk zijner voorgangers met heuschheid heeft beoordeeld; maar wat de wederinvoering der transactie betreft, onthoude ik mij niet, het eene vlek te noemen dezer proef, zooals het eene vlek op elke regeling van rechtspleging zou zijn. Zelfs in fiscale zaken hebben wij in de gemeentewet transactie afgeschaft: zoo er, wat sommige fiscale wetten van het Kijk betreft, nog iets voor transactie te zeggen valt, geene redenen van dien aard kunnen hier daarvoor pleiten.

Indien ik meende de wet van 1852 te moeten rechtvaardigen, en dit voorstel van herziening te mogen veroordeelen, dan, Mijnheer de Voorzitter, zou ik wijzen op één woord van de Memorie van Beantwoording. De Minister gewaagt daarin met aandrang van de menigvuldigheid der gedingen en andere moeilijkheden, uit de jachtwet van 1852 voortgevloeid, en zegt dan op de laatste blz.: „indien gij de transactie uit het ontwerp licht, dan is daarmede het voorname, meeat afdoende middel om de sedert 1852 gerezen klachten en bezwaren weg te nemen, vervallen". Men behoort zich, dunkt mij, alle gebreken en grieven te getroosten, welke dat middel van herstel behoeven.

Wederinvoering van transactie, Mijnheer de Voorzitter, zou mij minder verwonderen bij een Minister van Binnenlandsche Zaken, tevens Nimrod, maar bij een Minister van Justitie? De Minister van Justitie doet in de Memorie van Toelichting en in die van Beantwoording aan onze wetgeving van de laatste jaren op meer dat eene plaats het verwijt, dat zij te kwistig is geweest met gevangenisstraffen en hij draagt ons ten zelfden tijde een samenstel van strenge gevangenisstraffen voor, die wij niet hadden. Wij zijn hier op het „terrein der inconsekwentiën", maar met die inconsekwentie, evenmin als met menige andere, ga ik niet mede.

Sluiten