Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 Mei. Artikel 1 : „Ieder die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jachtrecht heeft of waarin hij tot visschen gerechtigd is, bejaagt of bevisoht, moet voorzien zijn van een daartoe betrekkelijke akte, op de eerste vordering te vertoonen aan de met het toezicht op de jacht en visscherij belaste ambtenaren."

( Mijnheer do Voorzitter, ik zie gaarne alle kleinigheden voorbij. Hi\enwel hier moet ik toch in het belang van eene goode redactie onzer wetten in het algemeen, in liet belang van deze wet in het bijzonder, do vraag onderwerpen of het geraden is de bijvoeging te maken, welke de Minister voorstelt?

In de wet van 1852 staat: „Ieder die zijn grond of de gronden van anderen, waarop hij jachtrecht heeft, bejaagt, of zijn vischwater of dat van anderen, waarin hij tot visschen is gerechtigd, bevischt" enz. De Minister wil lezen : „Ieder die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jachtrecht heeft of waarin hij tot visschen gerechtigd is, bejaagt of bevischt" enz. Als reden wordt opgegeven, dat men onder grond wel eens water niet zou kunnen verstaan, en men toch op water jagen kan.

Is het geraden het opstellen van eene wet te regelen naar eene dergelijke vittende opvatting? Wanneer wij dat ééns doen. in hoevele andere gevallen, niet alleen bij deze wet, maar desgelijks bij andere wetten, zullen wij tot dergelijke bijvoeging of analyse verplicht zijn! Wanneer de gedachte duidelijk is uitgedrukt en daarenboven door den geheelen samenhang tegen twijfel beschermd wordt, dan moet men niet meer doen; dan moet men door de redactie niet willen voorzien tegen ieder misverstand bij hen, die niet goed lezen. Nu is het duidelijk dat. wanneer in art. 1, gelijk in andere artikelen, van grond, in tegenoverstelling van water, waarin men vischt. wordt gesproken, grond het terrein betoekent.' waarop men jachtrecht heeft of jaagt, hetzij nu dat dit terrein vaste grond of water zij. De wet onderscheidt grond waarop men jaagt en water waarin men vischt. Het water dus, waarop men jaagt, is onder grond begrepen.

\ oorts zoo de Minister het noodig keurt hier, omdat men zou kunnen zeggen: grond is geen water, bij het woord grond te voegen water voor waterjacht. dan is ook de redactie van art. 3 onvoldoende. Daar staat: het jacht- en vischrecht dat derden op gronden of in wateren van anderen hebben, kan door dezen worden afgekocht; en in de derde alinea, bij geschil over den af koopprijs wordt deze door de rechtbank van het arrondissement, waarin de gronden of vischwateren zijn gelegen, bepaald. Bij gronden moet dan ook daar wateren worden bijgevoegd. Het is daar, zoo mij voorkomt, evenzeer of evenmin noodig als het noodig is in art. 1. Om dezelfde reden moet ook daar water worden bijgevoegd. Jk

Sluiten