Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 4. Bij verkoop van domeingronden onder Borculo was, ondanks het voorschrift van de geldende wet, dat „bij vervreemding het jacht- of vischrecht niet van den eigendom van den grond of het water (kon) worden afgescheiden", een jachtrecht van de kroon voorbehouden.

Ik wensch een gewichtig punt tot klaarheid gebracht te zien. Het betreft de vraag over de toepassing van de laatste alinea van art. 3, met betrekking tot den verkoop van domeingronden. Men heeft gezegd: het jachtrecht is bij den verkoop gereserveerd. Ik heb zooeven den Minister, daarover sprekende, niet wel begrepen. De laatste alinea van art. 3 heb ik nooit anders verstaan, en ik meen ze ook nu niet anders te kunnen begrijpen, dan in den eenvoudigen, volstrekten zin der woorden: „bij vervreemding kan het jacht- of vischrecht niet van den eigendom van den grond of het water worden afgescheiden." Dat wil zeggen, dat in het vervolg het jachtrecht, aan den grondeigendom verbonden, met dien eigendom overgaat. Het jachtrecht, dat de grondeigenaar op zijn grond heeft, kan daarvan niet meer worden afgezonderd. Wat is het nu, dat onder het gebied dezer wet heeft kunnen machtigen tot het reserveeren van jachtrecht op domeingronden, die verkocht werden ? De Minister zal mij verplichten zoo hij zich daarover nog eens duidelijk wil verklaren.

Bij den verkoop van gronden onder Borculo, verklaarde de minister, gold het heerlijk jacht- en vischrecht. Daar kon dus dat recht bij den verkoop worden gereserveerd.

Mijnheel- de Voorzitter, nu wordt een hoofdbeginsel der wet van 1852 mij te eenen male duister, of liever, de Minister verwisselt hetgeen ik tot dusver vast in mijne hand dacht te hebben met iets anders. Ik meende en neem de vrijheid nog te meenen, dat wij sedert de wet van 1852 geen ander jachtrecht van den grondeigenaar op zijn grond kennen, dan hetgeen het uitvloeisel is van den grondeigendom. Wij kennen daar buiten wel een jachtrecht, op den grond van een ander, tengevolge van een vroegeren titel, gevestigd, maar wij kennen niet, ten aanzien van een grond, die verkocht wordt, zooals het domein van Borculo verkocht is, een heerlijk jachtrecht van den verkoopenden eigenaar, behalve het jachtrecht, dat verbonden is aan den eigendom van den grond en een deel van dien eigendom uitmaakt. Zulk tweeërlei jachtrecht van den eigenaar op zijn grond bestaat niet; het wordt door het stelsel der wet van 1852, die art. 641 van het Burgerlijk Wetboek verwezenlijkte, ten duidelijkste uitgesloten.

Ik geloof, het is een punt van zeer groot gewicht, dat niet alleen in dit, maar in zeer vele andere gevallen kan te pas komen. Be-

Sluiten