Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halve een jachtrecht van derden kon er op een sedert 1852 verkochten grond geen ander jachtrecht zijn, dan dat hetwelk aan den eigendom van den grond verbonden is, en daarvan niet meer mag afgescheiden worden. Is nu bij verkoop van domein sedert dien tijd door het Rijk domaniaal jachtrecht gereserveerd, dan schijnt mij dat vierkant in strijd met de wet.

Thans verwees de minister naar het vierde additioneele artikel der grondwet, waarbij het voortbestaan van het heerlijk jachtrecht werd erkend, zoolang dit niet was afgekocht. Het heerlijk jachtrecht onder Borculo, zei hij, behoorde aan het domein, en kon dus worden gereserveerd bij den verkoop.

Ik begrijp nu, Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister een dubbel jachtrecht van den eigenaar op diens grond aanneemt, een jachtrecht van den eigenaar als zoodanig, en daarenboven nog een heerlijk jachtrecht. Dat is onmogelijk. Een derde kan op den domeingrond van Borculo uit vroeger tijd jachtrecht hebben, maar op zijn eigen grond kan de eigenaar van het domein niet, nevens het jachtrecht dat uit den eigendom ontspruit, nog een heerlijk jachtrecht bezitten. Het een sluit het ander uit.

Zoo dergelijk dubbel recht op eigen grond vroeger denkbaar was — en ik betwist ook, dat het vroeger ten aanzien van eene en dezelfde jacht bestond, — na de wet van 1852 heeft het jachtrecht van den grondeigenaar slechts één, eenvoudig beginsel. Zijn jachtrecht, dat voorheen op een heerlijken titel rustte, ging, voor zooveel namelijk zijn eigen grond betreft, door die wet in een gewoon eigendomsrecht over.

Hetgeen de Minister uit het vierde additioneele artikel deiGrondwet aanhaalt, komt hier dus, naar mijn inzien, hoegenaamd niet te pas. Er kan geene sprake wezen van het behouden van een heerlijk jachtrecht door dengene, die datzelfde jachtrecht als eigenaar van den grond bezit, noch van schadeloosstelling voor iets, dat de wet hem als eigendomsrecht verzekert.

Artikel 6. Kostelooze vergunning tot uitoefening van visscherij met één vischtuig. Volgens het ontwerp zou de commissaris des konings bevoegd zijn haar uit te reiken aan kennelijk onvermogenden. De heer Taets van Amerongen stelde voor, ook het uitreiken van een kostelooze vergunning „aan daglooners of arbeiders voor de uitoefening van het jachtbedrijf, vermeld in art. 15 lit. g" (het vangen van houtsnippen met laat-, war- of valflouwen) mogelijk te maken.

Ik heb eene vraag aan den geachten voorsteller uit Leiden. Hij wenscht in art. 6, de 6de zinsnede te lezen: dat het aan den Commissaris des Konings in de provincie voorbehouden blijft, aan daglooners of arbeiders voor de uitoefening van het jachtbedrijf,

Sluiten