Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geopend, is aan die menschen een gedeeltelijk middel van bestaan te verzekeren, waarin zij zouden worden verkort, zoo zij het bedrijf niet dan tegen betaling van f 5 of' f 7 mochten uitoefenen.

Artikel 7, lid 3. „Inwonende zonen beneden den ouderdom van achttien jaren mogen, zonder akte op eigen naam, hunnen vader of diens jager, jagende vergezellen." De lieer van Heiden Reinestein wilde lezen: „Inwonende zonen niet jonger dïn zestien doch beneden den ouderdom van achttien jaren" enz.

Dit amendement is eene nieuwe verlenging van de reeks dier omslachtige bepalingen, welke wij in de wet van 1852 reeds te veel hebben en welke het voorgestelde ontwerp nog denkt uit te breiden. Het amendement zal een onderzoek naar de geboorteakte van den jongen, die zijn vader op de jacht vergezelt, noodig maken. Daarenboven heeft, dunkt mij, eene jachtwet niet te treden in de zorg, die aan den vader voor het welzijn zijner kinderen zeer wel kan worden toevertrouwd. Wanneer de vader er geen gevaar in ziet, dat zijn zoon van 12, 13 of 14 jaren, hetzij met of zonder geweer, met hem ga, moet de jachtopziener daarmede niet te doen hebben.

18 Mei. Artikel 2. De aanhef' luidde: „Om eens anders grond of jacht- of visch water bij vergunning, huur of pacht te kunnen bejagen of bevisschen enz.

Ik hoorde zooeven den Minister spreken van jachtwater; dit doet mij de vrijheid nemen hem eene vraag voor te leggen. Wij hebben onder N°. 12 eene Nota van druk- of schrijffouten ontvangen; aan het hoofd van die Nota zie ik, dat in den aanhef van art. 2: „om eens anders grond of jacht of vischwater" enz. moet gelezen worden: „jacht- of vischwater", zoodat jacht gevoegd wordt bij water. Is die zoogenaamde druk- of schrijffout, die wellicht ook in andere artikelen kan worden opgemerkt, niet integendeel juist hetgeen er moet staan? Ik althans geloof de opgave in de Nota als eene drukfout of een misverstand te mogen beschouwen. Want de wet onderscheidt hier grond en jacht; men kan niet alleen den grond, maar ook de jacht van een ander, welke deze namelijk heeft op eens anders grond, bij vergunning, huur of pacht bejagen. De bepaling zou uit haar geheel worden gebracht indien men ze zoo schreef of drukte als in de lijst van drukfouten is aangeteekend.

Artikel 11. „Gedeputeerde staten bepalen jaarlijks den tijd van opening en sluiten der jacht en visscherij enz."

„Op gelijke wijze bepalen zij enz....; en voorts den tijd gedurende welken de kooieenden door den kooiman moeten worden opgesloten of gehokt."

Sluiten