Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. ,en,6 Jraag betrefft'nde het sl°t der laatste alinea van het artikel. Men heeft daarbij gevoegd: „en voorts den tijd gedurende welken de kooieenden door den kooiman moeten worden opgesloten ot gehokt. De bepalingen, volgens hetgeen voorafgaat, door Gedeputeerde Staten te maken, zullen jaarlijksche bepalingen zijn.

is de bedoeling, dat ook de laatste eene telken jare terugkeerende bepaling zij ? Zoo ja, dan stemt deze opdracht in zooverre met den aard der overige voorschriften, die, volgens het artikel, van Gedeputeerde Staten worden gewacht, overeen. Het Koninklijk besluit van 18-.0 bepaalde eens voor altijd, en kon dit ten aanzien van dit punt eer doen, dan ten aanzien der andere onderwerpen in deze zinsnede genoemd.

Hoe dit zij, Mijnheer de Voorzitter, ik wensch te weten, of de meening is, dat ook ten aanzien van dit punt telkens opnieuw een regel dooi Gedeputeerde Staten worde uitgevaardigd.

vefdscht-12' "Geen jachtakte noch buitengewone machtiging wordt

„o voor de valken- of havikkendragers en voor de strikhouders van hem die, van eene groote jachtakte of buitengewone machtieine voorzien, de jacht, bedoeld in art. 15a en b. uitoefent:"

„6. enz."

De heer Taets van Amerongen wilde lezen: va voor de valkenot haMkkendragers, strikhouders, polsdragers, wilddragers en opdrijvers van hem, die, enz." 1

Hij het eerste gedeelte van art. 12. waartoe het eerste amendement van den geachten afgevaardigde uit Leiden (den heer Taets van Amerongen) betrekking heeft, geldt het een grondregel van elke goede jachtwet.

De vraag is deze. Helpers, handlangers, hebben zij eene akte noodig? Zoo men dat aanneemt, dan. geloof ik, miskent men een hoofdbeginsel, en verzaakt het juiste begrip van jachtfeit, waarvan het kenmerk van jachtdelikt afhangt. De helper, de handlanger is slechts werktuig, niet jager. Jager is hij. die met eigen zelfstandige intentie om het wild op te sporen, te vervolgen of te bemachtigen, .jaagt. Zij. die hem daarbij dienen, kunnen niet als jagers worden beschouwd. Elders, in andere wetgevingen wordt dit geacht van zelf te spreken, en zoo moet liet. dunkt mij. ook bij ons blijven. \ andaar schijnt mij de nieuwe bepaling, die het ontwerp voorstelt noch noodig, noch goed.

Bij de algemeene beschouwingen heb ik de meening geuit, dat men zich bij herziening der wet van 1852 de vraag 'had moeten voorleggen, of men niet zou trachten het begrip van jachtfeit tegen misverstand meer te beveiligen, dan het. voor sommigen althans, aan die wet schijnt te zijn gelukt, Ik verlang niet dat de wetgever

Sluiten