Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een misverstand onder het begrip van jachtdelikt worden gebracht.

20 Mei. Artikel 19. Het eerste lid luidde: „Het is verboden te jagen of te vissehen in gesloten jacht- of vischtijd", waaraan de heer Strens wilde toevoegen: „behalve in de wateren bedoeld in artikel 136." De minister liet de beslissing aan de kamer over.

De geachte voorsteller heeft de welwillendheid van de Vergadering ingeroepen en reeds die van den Minister ondervonden. Mijne welwillendheid ten opzichte van dit amendement is dezelfde, als die ik betoond heb ten aanzien van de wijziging, door den geachten afgevaardigde uit Roermond op art. 13. Ik moet evenwel de opmerking maken dat zoowel art. 13 als art. 19 tweeërlei soort van wateren betreft. Ten aanzien van die, welke de geachte spreker bedoelde met zijn amendement op art. 13 en nu bij art. 19 op het oog heeft, bestaat geen het minste bezwaar. Ook niet ten aanzien van de overige wateren, begrepen in lit. b van art. 13, zoo die bepaling wierd uitgelegd op de wijze, als ik het nog gisteren deed. Tot op dien dag, toen de geachte afgevaardigden uit Roermond en Leiden amendementen voorstelden op lit. b van art. 13, dacht ik dat het vischwater, in art. 13 b aangeduid, moest afgesloten zijn voor den doortocht van visch. Ik ben genegen, Mijnheer de Voorzitter, dit nog in theorie voor den zin der wet te houden. Ik moet evenwel erkennen, de tekst van het artikel is voor een anderen uitleg vatbaar. Toen dus gisteren hier stellig verzekerd werd, dat de bezitters van afgesloten bouwen lusthoven de wateren, daarin gelegen, ook wanneer die in gemeenschap met andere zijn, tegenwoordig zonder akte bevisschen. heb ik niet geaarzeld die vrijheid te helpen beschermen. Nu evenwel mag ik in overweging geven dat, wanneer het amendement van den geachten voorsteller zich zal uitstrekken over al de wateren, begrepen onder lit. b van art. 13, dus ook over die welke met andere, met vaarten of rivieren in gemeenschap zijn, de gelijkheid van recht ophoudt. Naast eene afgesloten buitenplaats ligt eene opene bezitting, waardoor hetzelfde water vloeit. Dan zal de bezitter der eerste vrijheid hebben om te vissehen, wanneer ook, in alle tijden van het jaar, en zich niet behoeven te storen aan eenig verbod; maar zijn buurman zal ten aanzien van hetzelfde water aan het verbod onderworpen zijn. Er zal later gelegenheid komen om het oog te vestigen op een ander bezwaar dat ontstaat uit art. 2t>, inzonderheid uit lit. e van dat artikel, wanneer men de wateren, welke geheel zijn afgesloten, en die welke in gemeenschap zijn met ander water, op ééne lijn stelt.

Ik resumeer, Mijnheer de Voorzitter. Ik ben het amendement genegen. Het is ook mijns inziens volkomen juist en kan geenerlei

Sluiten