Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de groote, de nieuwe beginselen, waaraan men den weg wilde openen, niet afgetrokken van al die bijzondere jachtbepalingen. dan zou men wellicht getracht hebben de wet van 1852 meer te doen naderen tot de beknoptheid van andere, buitenlandsche wetten. In de Fransche, de Belgische, de Luxemburgsche wet. waar de zorg voor het jachtveld zeker niet geringer is dan bij ons. komt geene bepaling voor gelijk die van art, 20. Zij rusten hoofdzakelijk op deze twee voorschriften: verbod om te jagen zonder akte, verbod om te jagen in gesloten jachttijd. Daaruit vloeit van zelf voort, dat ieder jachtfeit, bedreven zonder akte of in gesloten jachttijd, strafbaar is volgens de wet. Zoo men bij eene heziening onzer wet van 1852 zich vooral vereenvoudiging op dien voet ten doel moest stellen, dat doel wordt nu geenszins bereikt; het plan van herziening dat men ons heeft voorgelegd, leidt integendeel om de wet met nog meer bijzonderheden te overladen. Intusschen. ik wil een poging doen om liet bezwaar, dat bij de uitvoering van art. 20 gerezen is, voor het vervolg weg te nemen. Mij richtende naai' de artikelen, die reeds zijn aangenomen, wensch ik het artikel aldus te lezen:

-Hij. die zonder de vereischte jachtakte of in gesloten jachttijd, zonder het consent in art. 16 of de buitengewone machtiging in art. 27 bedoeld, in het veld eenige poging doet om wild op te sporen, te bemachtigen of te dooden, is volgens art, 41. 1ste lid. strafbaar.

„Daaronder is begrepen, zoo hij niet de behoorlijke zorg draagt om te beletten dat de hond of de honden, die hij bij zich heeft, wild opsporen, drijven of grijpen."

Het amendement van het geachte lid uit Groningen (den heer Westerhoff) durf ik niet ondersteunen. „Honden" in „jachthonden" te veranderen zal geen bezwaar wegnemen: honden die geen jachthonden zijn doen soms. ik geloof dit is erkend, meer kwaad dan de jachthonden.

Het is boven twijfel, dat het artikel, zooals het door de Regeering is gewijzigd, oneindig meer moeilijkheden, willekeurige calanges en onverstandige veroordeelingen kan voortbrengen, dan waartoe art. 20 der wet van 1852 behoefde te leiden. De bezwaren zijn enkel daaruit voortgevloeid dat men de <jeduchte der wet niet in het oog heeft gehouden ; mijn amendement strekt om die gedachte zóó te doen uitkomen, dat zij niet meer kunne worden miskend. Met schrik heb ik ook in art. 20. zooals de Regeering dat voorstelt, den befaamden kruisbungel zien opnemen, dien volgens art. 24 der wet van 1852 alleen losloopende honden behoefden te dragen. De bedenkingen, door het geachte lid uit Groningen tegen die nieuwe belemmering ingebracht, acht ik alleszins gegrond.

Ik onderwerp nu, zonder meer, mijn amendement aan het oordeel der Kamer.

Sluiten