Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Poortman scheen, zoo een kleine wijziging in het amendement werd aangebracht, zijne stem daaraan te kunnen geven.

Zoo dit tot bevrediging mijner geachte medeleden kan strekken, wil ik het eerste gedeelte der wijziging door den spreker uit Schiedam (den heer Poortman) aangegeven, overnemen en dus het tweede lid van mijn voorsel doen luiden : „Daaronder is begrepen zoo hij zich met geladen schietgeweer in het veld bevindt, of niet behoorlijke zorg draagt" enz. Die bepaling beschouw ik niet als preventief; hij die zich in gesloten jachttijd of bij open jacht zonder akte met een i/eladen geweer in het veld bevindt, heeft het vermoeden tegen zich, dat hij op wild uit is.

De havikken en valken, ook door den spreker uit Schiedam genoemd, kunnen, mijns inziens, gerust te huis worden gelaten.

Het amendement werd met 43 tegen 9 stemmen aangenomen.

22 Mei. Artikel 24, lid 1: „Buiten de steden, de kom der landgemeenten, de werven, de plaatsen in artikel 12a genoemd, de openbare wegen en voetpaden en de gronden, waarop de eigenaar van den hond jachtrecht heeft, mogen geene honden losloopen, tenzij voorzien van den slependeri kruisbungel om den hals."

De heer Strens had op verwerping van het artikel aangedrongen.

Het geachte lid uit Roermond (de heer Strens) zegt: „Geene bepaling der wet van 1852 heeft noodlottiger gewerkt dan art. 24." De bepaling van art. 24 is overgenomen uit de wet van 1814 en was in zooverre eene voortzetting der orde van zaken die reeds bestond. Bij meer dan ééne gelegenheid heb ik gedurende deze discussie moeten herinneren, dat men, wat de techniek, wat de kleinigheden der jachtwet betreft, in 1852 met niet zeer veel kritiek is te werk gegaan, omdat men zich hoofdzakelijk met de grondslagen bezig hield.

Bij de uitvoering van dit artikel heeft men aan de zijde van het publiek, zooals het schijnt en niet ontkend wordt, overgrooten last ondervonden. Ten aanzien van art. 20 hebben wij het nadeel gekeerd, daar de Kamer heeft goedgevonden die bepaling in een onmiskenbaar verband te brengen niet het beginsel, waarvan zij in de uitvoering nimmer had moeten gescheiden worden. Maar kunnen wij nu een dergelijk middel vinden ten aanzien van art. 24? Tot dusverre, Mijnheer de Voorzitter, zie ik het niet. In het belang der conservatie van het wild, zal de eigenaar van een onbeheerden of buiten toezicht losloopenden hond gestraft worden. Vervolging en straf zijn voor eene juiste regeling vatbaar, wanneer het een hond geldt, dien men, in het veld zijnde, bij zich heeft: maar hoe ten aanzien van buiten toezicht losloopende honden? Ik

Sluiten