Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben genegen te gelooven, dat, indien eene bepaling daartegen in

een algemeen politiebelang moet worden gemaakt, zij eene andere

bepaling moet zijn dan die hier wordt voorgesteld, en niet behoort 111 deze wet.

Ik heb andere wetgevingen nagegaan, en het is mij opmerkelijk voorgekomen dat ik een dergelijk voorschrift niet vond dan in de jachtwet van Luxemburg, maar in beperkter zin, en zelfs daar niet zonder sterken tegenstand aangenomen.

Twee nadeelen staan tegenover elkander: aan den eenen kant dat hetwelk aan den wildstand kan worden toegebracht en dat door

iet doen dragen van een kruisbungel geenszins werd geweerd

want het kwaad bestaat voornamelijk in het opsporen en verstoren van het wild; - aan den anderen kant de kwelling van menschen, de onbillijke vervolgingen en de onmogelijkheid van vervolging of rechtvaardige bestraffing in zóó vele gevallen. De Kamer gelieve nu te overwegen of het niet beter zij, van een artikel af te zien. waardoor voor het behoud van het wild evenmin genoegzaam wordt gezorgd, als bij de toepassing bezwaar of kwelling des publieks kan worden geweerd.

In de wet, verdedigde de minister, was nu eenmaal het beginsel van conservatie van het wild nedergelegd. Men moest dus ook de middelen aanvaarden, die noodig waren, om dat beginsel door te voeren.

Ik laat de kruisbungel daar, vooral daar ik zie dat de meest

bekwame deskundigen in dit opzicht lijnrecht tegenover elkander staan.

Ik zal ook nu niet spreken over de vraag in hoever art. 463 van het Strafwetboek in eene zaak als deze toepasselijk is. Dit zullen wij nader onderzoeken.

Maar ik merk aan. dat de Minister, die meermalen, ook in deze iscussie, zich verklaard heeft tegen absolute denkbeelden in zaken van staat of regeering, nu toch op weg is hetgeen hem noodig schijnt voor de conversatie van het wild zeer absoluut door te zetten Alleen dat belang neemt de Minister, dunkt mij. thans in aanmerking Om het wild van overlast vrij te houden, bekreunt hij zich aan den overlast van het publiek niet. Wat mij betreft, ik zou minder bezwaar zien in eene bepaling krachtens welke de opziener e toezicht in het veld losloopende honden in gesloten

jachttijd mocht doodschieten, dan in eene strafbedreiging tegen het laten losloopen van honden voor alle tijden van het jaar; reeds uit dien hoofde onvoldoende, omdat men in den regel den eigenaar van den hond niet zal kunnen vinden. Dan kan er dus van geene strat sprake zijn en wordt het doel niet bereikt.

Sluiten